Laten we het beestje maar gewoon bij de naam noemen: mijn rijkdomsbewustzijn is niet al te groot in deze fase van mijn leven. Laten we maar gerust spreken over een armoedebewustzijn, en dat in vele opzichten.
Het is 2014, en we zijn inmiddels in maart aanbeland. Het jaar had tot dusver nog niet veel goeds gebracht. Doordat mijn inkomsten tot een minimum waren gedaald, en ik ook nog eens kampte met de nodige schulden gemaakt in vorige levens, had ik feitelijk geen rooie rotstuiver te makken. Maar daar kon ik mij nog wel redelijk op instellen: ik was alleen en stelde materieel gezien niet al te veel eisen aan het leven. Maar toch: ik was – en ben – moederziel alleen, voel me moederziel alleen in die leuke eengezinswoning in de Jumelagebuurt in Gouda. Een eengezinswoning die ik 9 jaar geleden met Sue had betrokken in een tijd dat mijn dochters nog trouw elke drie weken een weekend naar vaderlief kwamen – plus natuurlijk gedurende de helft van de schoolvakanties.
De situatie maakte mij enorm gestresst: ik had het gevoel dat mijn leven in een aflopende schaal was beland. Somber was ik, depressief misschien nog net niet maar het ging die kant wel op. Job-wise kreeg ik het mede daardoor niet meer aan de gang. Ik was apparently not in the right state of mind for it. Ik solliciteerde tientallen malen per week, maar alsof al die potentiële werkgevers mijn mentale staat konden ruiken kreeg ik amper nog respons op mijn inspanningen. Natuurlijk: er was af en toe wel een gesprek, maar dit leverde nooit het gewenste resultaat op. Dat maakte mij er uiteraard niet vrolijker op, want ik besefte dat hoe langer deze impasse zou duren, hoe kleiner de kans werd om in de roos te schieten en een contract in de wacht te slepen.

Mijn reddingsboeien waren het hardlopen, de loopvrinden en -vrindinnen bij Goudse Runners, maar vooral mijn twee lieve dochters, die zich om mij bekommerden terwijl ze mij zagen afglijden. Verder had ik alles en iedereen van me vervreemd. Mijn ouders hielden zich zoals gebruikelijk afzijdig, doordat ze niet wisten hoe ze met deze situatie moesten omgaan. Ik droeg ze dat niet na overigens, integendeel: ik probeerde regelmatig te bedenken hoe ik ermee zou dealen als dit mijn eigen kinderen overkwam. En zou ik het dan wél zo goed weten? Tja, oordelen is zó makkelijk.
Mijn knipperlichtrelatie met Jolanda was nu toch wel definitief tot een einde gekomen. Laatst was ze nog even bij mij langs geweest om haar fiets en nog wat spulletjes op te halen, en bij die gelegenheid daalde bij mij het besef in dat ook dat hoofdstuk in mijn leven – ofschoon een niet al te langdurig hoofdstuk – definitief was afgesloten.
Desondanks heersten ook zorgen over Jolanda, maar ook over Sue, met wie het allebei ook niet al te jofel ging daar in Schiedam resp. Wrexham. Gek genoeg miste ik ze allebei, ondanks de extreme turbulentie die beide relaties had gekenmerkt. Continu was ik aan het dubben: mis ik ze nu écht, of was het simpelweg een gemis aan leven in mijn amoureuze brouwerij? Aan de andere kant: het was nu ook wel rustig in die brouwerij, en hoogstwaarschijnlijk had ik dat hard nodig. Het maakte in ieder geval dat ik geen actieve stappen meer zette op het liefdespad. Het was wel weer even goed zo.
Het bracht me godzijdank niet tot verslavingen: alcohol drinken deed ik al enige jaren niet meer, en met roken was ik zesentwintig jaar geleden al gestopt na een negenjarige stompzinnige nicotine- en handelingsverslaving. De enig echte addictie was uiteraard het hardlopen, maar ook was er de muziek. Altijd weer die muziek, een constante factor in mijn hele leven tot dusver. Een van de weinige dingen die mij echt in vervoering kunnen brengen. Al van jongs af aan verzamelde ik muziek. Het begon met singletjes en elpees in de vroege jaren zeventig. Voor de liefhebbers: mijn eerste singletje was Nothing Rhymed van Gilbert O’Sullivan, mijn eerste elpee Deep Purple in Rock van (jawel) Deep Purple. En vele honderden, zo niet al duizenden, singletjes, elpees, cassettes en (al dan niet zelfgebrande) CD’s zijn daar de afgelopen veertig jaren aan toegevoegd. Gevoegd bij de talloze concerten die ik in mijn leven al heb bijgewoond maakt het dat je gerust kan spreken van een grondige verslaving. Zelfs heb ik nog een aantal malen camping-DJ mogen spelen tijdens rijk besprenkelde dansavonden – we hebben het hier over the early Roaring Eighties. De vrouwen hingen vanzelfsprekend aan mijn lippen, maar ik besef achteraf dat ik daar veel te weinig gebruik van heb gemaakt destijds.
Just kidding.
Ik haalde mijn dochters al aan: Jantine (20) en Lianne (17), de twee bundles of joy in my life. The ones who keep me going these days. In deze voor mij buitengewoon lastige tijd is Lianne veel en trouw bij mij, zelfs iets frequenter dan eenmaal in de drie weken. En dat is fijn, wij zijn twee handen op een buik, zij mag bij mij onbeperkt haar levenservaringen en frustraties spuien, en ik voel me veilig om bij haar datzelfde te doen. Gelukkig zijn we allebei in staat om alles goed te relativeren, waardoor het altijd luchtig en gezellig blijft. Heerlijk veilig en vertrouwd dus, voor allebei. Nu hebben we veel aandacht voor haar op handen zijnde eindexamen, en ik mag als amateur-bijlesdocent mijn bijdrage aan de begeleiding geven. Het gaat hier dan vooral om het door haar verguisde – zeg maar gerust gehate – vak Wiskunde. En dus besteden we daar in Gouda regelmatig de nodige tijd aan, vooral op het onderwerp statistiek – door haar nog meer verafschuwd dan alle andere wiskunde-onderwerpen. Doel daarbij is de deplorabele tussenstand bijtijds omgebogen te hebben naar een acceptabel eindcijfer.
Voor na haar eindexamen heeft Lianne grootse plannen voor een journalistiek-studie in Utrecht. Ze was ook al in Tilburg wezen kijken maar deze leek haar véél leuker. En het lijkt me ook wel wat voor haar. Ze kan héél goed schrijven en is maatschappelijk heel geïnteresseerd en geëngageerd, dus die richting is helemaal zo gek nog niet.
Naast haar geworstel met haar huidige school (“ik vind school stom, de lessen zijn stom, de leraren zijn stom en veel van mijn klasgenoten zijn stom”) is zij zich artistiek inmiddels sterk aan het ontwikkelen. Al jaren is zij een gewaardeerde leerlinge van het Warm Water Jeugdtheater, een onderdeel van het theatergezelschap Greg & Baud in Zoetermeer. En tegenwoordig zit zij dan in de Topklas én de Opleidingsklas, het summum van wat je daar bij WWJ kunt bereiken. Inmiddels hebben we haar al kunnen bewonderen in een aantal prachtige musicals. Het is haar lust en haar leven, dat kun je zo zien.
Op talloze zaterdagochtenden heb ik haar naar de trainingen van haar lesgroepen gebracht en uiteraard weer gehaald. Plek des Heils: het Kwadrant Theater, een oud distributiepand van Miss Etam. Een door iedereen geliefde locatie, fraai gelegen in een hoek van een bedrijventerrein. Tussen Lianne’s bedrijven door reed ik dan altijd naar de dichtbijgelegen Mac aan de Oostweg, om mij te vergrijpen aan een heus MacOntbijt vergezeld van sloten afgewerkte motorolie om die hap weg te spoelen. En altijd lag daar dan voor mij de grote superdikke zaterdageditie van de Telegraaf, waarin ik uitgebreid – en voor nop – kon neuzen, heel prettig ondanks het feit dat het niet bepaald mijn krant is.

Jantine, met wie ik mij al even close voel, is vanwege haar studie en allerlei overige activiteiten al een tijd lang veel minder vaak op het vaderlijk nest te vinden. Maar dat geeft niets: we hebben gelukkig allerlei mogelijkheden en wegen om onze band te bevestigen en te behouden. Na een paar jaar in Groningen te hebben gestudeerd voor een Bachelor of Arts English Language and Culture is zij als afronding daarvan onlangs voor een aantal maanden neergestreken in The University of Salford bij Manchester in het kader van een exchange-programma. Daarna zal zij in Leiden verder studeren aan een Master of Arts International Relations & International Studies.
De komende tijd zal ik helaas niet in de gelegenheid zijn om haar daar in Engeland op te zoeken. Maar we houden wel intensief contact middels alle ons daartoe ter beschikking staande media. Leuk weetje: ze is daar op haar campus flink aan het sporten geslagen, met als hoofdmoot hardlopen, en uiteraard volg ik haar vorderingen met speciale aandacht. Temeer daar we inmiddels de wens hebben uitgesproken gezamenlijk de Geuzenloop in Zoetermeer te verhapstukken (bron: Arranraja). Dat festijn zal ergens tegen het eind van september plaatsvinden, en ik verheug me daar nu al met grote vaderlijke teugen op.
U begrijpt het inmiddels: het zijn dochters om hanetrots op te zijn. En dat vreugdevolle gegeven kon ik mooi gebruiken in deze barre tijd. Een tijd waarin gelukkig ook voor het hardlopen veel plek kon worden ingeruimd. Verwoed volgde ik de trainingen, ter voorbereiding van hopelijk de nodige wedstrijdlopen dit jaar. Deels trainde ik bij mijn vertrouwde Goudse Runners, deels bij mijzelf door middel van lange solo-duurlopen. Van het softwarebedrijf Ormel had ik een uitnodiging ontvangen voor deelname aan de 21.1K City-Pier-Cityloop in Den Haag, en op dat grote toneel zou ik op 9 maart mijn debuut gaan maken! Veel had ik er al over gehoord en gelezen, onder andere op de hardloop-community Looptijden, waarop vele atleten enthousiast blogden over hun ervaringen met deze Hofstedelijke Beproeving. Speaking of which: heel voorzichtig en langzaam word ik aangestoken door die verhalen en welt ergens diep in mij een ongebreideld verlangen op om ook over mijn atletische prestaties te gaan schrijven. En het Looptijden-platform lijkt mij daartoe uiterst geschikt.

Mijn inmiddels vierde halve marathon zou hopelijk een revanche zijn voor het Debacle van Amsterdam in oktober 2013. Daar ging bij mij, terwijl ik een richttijd had van 1 uur en 50 minuten, het licht helemaal uit na pakweg acht kilometer, midden op de Van der Madeweg richting Duivendrecht. Oorzaak: een gigantische overtraining als gevolg van een waarschijnlijk veel te ambitieus schema. En dat schema was nou juist voor mij zo zorgvuldig door GR-trainer Paul samengesteld op basis van mijn kennelijk veel te optimistische input. Volkomen gedesillusioneerd ploegde ik 13 kilometer lang door de hoofdstad om mij uiteindelijk in het Olympisch Stadion uitgeput in twee uur, acht minuten en een handjevol seconden over de finishlijn te storten. Maandenlang had ik nodig om van deze marteltocht te herstellen. Bij de GR-trainingen, waar ik meestal fier voorop liep, was ik nu meestal in de achterste regionen te bekennen. Best wel gezellig hoor: je komt dan al lopende ineens heel andere mensen tegen dan normaal.
Inmiddels had ik de hardloopdip al weer achter mij gelaten. Tijdens de laatste editie van de 10K Groenhovenloop bleek dat: ondanks het feit dat het verre van soepel ging kwam ik op die zonnige zondag met een niet onaardige debuuttijd van 52:30 over de finish in het alleraardigste AV Gouda-stadionnetje. Geen toptijd, maar gezien de omstandigheden was ik er best tevreden over. Inmiddels had ik door Paul een nieuw en veel minder ambitieus schema voor de Halve van Den Haag laten maken. Als rasechte Hagenees had hij mij dit schema toegelicht met de woorden “En nah hagt spôghte met dit maui opgebâhde schema”. Ik ben nu nog aan wel het uitzoeken welk dialect van de Haagse taal deze man nou precies bezigt. Is dit nou Schilderswijks, Transvaals of Bomen- en Bloemenbuurts?
Als onderdeel van dit maui opgebâhde schema had ik twee weken geleden al een duurloop van 21.1km verhapstukt, een afstand die ik na het Drama van Amsterdam niet meer had gelopen. En ondanks dat het nog wat moeizaam ging was ik blij dat deze afstand nog steeds in mijn portfolio zit. En met portfolio bedoel ik: alle afstanden die ik daadwerkelijk uit stilstand voor je kan lopen als je een kwartje in mij gooit en mijn te lopen afstand noemt. Een marathon gaat mij niet lukken, de halve afstand dus inmiddels wel weer. En dat is een tot vreugde stemmend gegeven, al zeg ik het zelf. Af en toe voelde ik me wel wat ziekjes, pijntje hier, pijntje daar, maar dat kon gezien mijn situatie ook een sterk mentaal aspect dan wel oorzaak hebben.
Uiteraard gaven mijn vorderingen op hardloopgebied nog geen enkele garantie voor mijn prestatie op deze CPC. Ik ging het op die zondag allemaal over me heen laten komen en ik ging wel zien waar mijn scheepje zou stranden. Hopelijk niet al in de haven van Scheveningen na 15 kilometer. Bij de Sports World in het Rotterdamse Anton Pieckachtige winkelcentrum Alexandrium had ik speciaal voor de gelegenheid voor een habbekratsje een prachtig geel Karrimor-shirtje aangeschaft, dus daaraan zou het niet liggen.
Tot mijn onuitsprekelijke vreugde hadden Lianne en haar boyfriend Luc zich aangemeld om mij op de gewraakte dag te gaan supporteren, een geste die ik buitengewoon op prijs stelde. We zouden elkaar bijtijds ontmoeten op het Haagse Centraalstation, en van daaruit onze weg vervolgen naar het strijdperk op het Malieveld. Uiteraard zouden ze mij dan gedurende een uur of twee moeten missen, maar de Haagsche Binnenstad ligt op een steenworp afstand en zij zouden die tijd wel doorkomen hadden wij bedacht. Ik schaamde mij wel een beetje tegenover Lianne: zij had mij een prachtig rood BFF-polsbandje gegeven om tijdens de loop te dragen, maar dat was ik ergens in de week voor de CPC al kwijtgeraakt. What a disaster. Shame on me – en ooit bij de Grote Afrekening zal ik er voor boeten.
En zo werd het dan zondag 9 maart 2014, een stralend zonnige dag met hoge temperaturen voor de tijd van het jaar. De electronische haan had al vroeg het reveil geblazen, en tevreden verliet ik op nuchtere maag het huis voor een korte ochtendwandeling. Een wandeling die mij leidde langs de Omloopkade, waar mijn al dan niet lange duurlopen altijd begonnen. Ook was het de favoriete uitlaatplek voor de schnauzers Oscar en Rosie die resp. in 2007 en 2010/2011 mijn trouwe viervoeterige huisgenoten waren. Een plek, kortom voor veel herinneringen, mooie en regelmatig ook minder mooie. Het waren complexe tijden, voor Sue en voor mij, en onze honden waren daarin in ieder geval een constante positieve factor.

Langs de Bodegraafse Straatweg, met prachtig uitzicht over de Breevaart en de daarachter gelegen Elfhoevenplas, hobbelde ik op mijn gemak weer richting huis. Negen jaar lang alweer woon ik op deze stek, en wat is er een ongelooflijke hoop gebeurd in die tijd. Hoge bergen en diepe dalen zullen we maar zeggen. Met de Gloucesterstraat en de Solingenstraat vormt de Kongsbergstraat de zogenaamde Jumelagebuurt, eigenlijk een heel klein geïsoleerd wijkje aan de uithoek van de Reeuwijkse plassen. Geïsoleerd, en daardoor ook betrekkelijk rustig – een fijne plek om te wonen. Dat wel.
Thuisgekomen opende ik de achterdeur in de woonkamer en nestelde mij achterin de achtertuin, die gelegen is aan een watertje. Daar nuttigde ik een eenvoudig doch voedzaam sportontbijtje, bestaande uit de ochtendpap en twee koppen koffie. Op het water was het een drukte van belang. Eenden, waterhoentjes en meerkoeten waren druk bezig met de bouw en het onderhoud van hun nestjes. Ze trokken driftig hun sporen in het kroos als waren het chemtrails in de lucht. Het was het kroos dat met name schnauzer Rosie vaak aanzag voor een grasveld. En als er dan aan de overkant van het water iemand liep, al dan niet met hond, was er geen houden meer aan. Dan moest ze er achteraan, met uiteraard een enorme plons tot gevolg. Menigmaal heb ik Rosie uit het water moeten vissen, waarbij ikzelf net zo nat werd (en groen!) als zij. En zo konden hond én eigenaar direct onder de douche worden gezet. Achteraf kan je om deze dingen smakelijk lachen, maar op dat moment een stuk minder moet ik u melden. Wel leuk om te zien was dat als je Rosie onder de douche zette, er bijna niets van haar overbleef. Wat restte was een buitenformaat rat met een veel spitsere snuit dan dat je ooit van een schnauzer kon vermoeden. En dat had dan toch ook wel weer humor.
Vaak voerden we de vogels, waarbij met name de eenden zo brutaal waren om uit het water pardoes de tuin in te springen. Meestal werd de hond uit voorzorg dan wel binnen gehouden om onheil te voorkomen. Soms landden en voeren er zelfs zwanen door de waterpartij, een beeld dat mij direct deed denken aan de briljante KLM-reclames. Overigens deed dat me ook eventjes stilstaan bij de MH370 die sinds gisteren vermist wordt. Maar goed: nu heerste er rust, bij gebrek aan hond en aan eigenaresse. En dat was eigenlijk op deze wedstrijdochtend wel lekker zo. Zo werd het een soort vroege tuinmeditatie op basis van mindemptiness – ik kan het werkelijk iedereen aanbevelen. De perzikboom stond mooi in bloei, het is nog wel even geduld hebben voordat ik daar de vruchten van kan gaan plukken.
Op het gemak pakte ik mijn groene Karrimor sporttas, een attribuut dat de vorige eigenaar hier had achtergelaten bij haar vertrek in oktober 2011. Op het fietsje peddelde ik naar het station. Ik kwam langs snackbar De Ballon, waar ze by far het lekkerste patatje pinda bereiden en aan de man brengen. Mocht Taco – de eigenaar van het etablissement – ooit een andere pindasausleverancier overwegen, dan zal ik met de hele buurt een sitdownstaking organiseren voor de deur van zijn pand. Als hij dan nog niet toegeeft zal hij mij kwijtraken als klant. Keihard, maar zo moet het gespeeld worden. Overigens: naar verluidt komt ook Nick Robinson regelmatig uit Engeland overwaaien naar De Ballon voor een sandwich, maar de geruchten hierover zijn nooit bevestigd.

Na het oversteken van de Burgemeester van Reenensingel en het passeren van de MBO-school dook ik het groen omzoomde Omlooppad in en slalomde behendig langs de in stemmig zwart gestoken orthodox-gereformeerden die zich een weg baanden naar hun Huize Gods. Bij het Gouwepalet stak ik linksaf de Ridder van Catsweg op richting station. Daar parkeerde ik mijn stalen ros op de boven de indoor fietsenstalling gelegen outdoor fietsenstalling (volgt u het nog?), en beende ferm richting het perron. Er was een trein te halen richting Den Haag Centraal, Lianne en Luc. En ik haalde ‘m maar net.
Op het voormalige station Staatsspoor was het een drukte van belang. Veel lopers ontvluchtten de stad weer na hun beproeving over 5 of 10 kilometer. Maar ook veel halve marathonlopers (dit klinkt niet goed nu ik dit zo opschrijf) kwamen van heinde en verre het station binnengetreind voor hun grote uitdaging. In die wirwar van mensen kostte het mij enige moeite om Lianne en Luc te vinden, maar gelukkig zag ik ze opeens ter hoogte van de Starbucks vlak bij de uitgang.
Na de enthousiaste begroeting installeerden we ons voor een kop koffie, in mijn geval een Caramel Machiato. We hadden tijd genoeg om even lekker bij te kletsen, dus we namen het er eventjes goed van. Het was goed om Luc weer eens te zien na de oudjaarsavond die Lianne en hij bij mij hadden doorgebracht – zo lang was het wel weer geleden. Al babbelend verlieten we de coffeeshop en baanden ons een weg door de mensenmassa richting het strijdperk. Even keek ik met een schuin oog naar de Burger King, vlak naast de Starbucks. Daar was, op een avond in december 2009, mijn portefeuille gerold, met daarin een hoop geld en al mijn passen. Ik kon mezelf toen wel voor mijn kop slaan. Om aangifte te doen van deze brute diefstal moest ik naar station Hollands Spoor, waar ze een mini-politiebureautje hebben ingericht op één van de perrons. Ik kan me nog herinneren dat ik daar last kreeg van aandrang in de blaasregio en de dienstdoende agent vroeg even naar het toilet te mogen. Dat mocht, maar dat werd dan wel een arrestantentoilet: geen klep, geen bril, niet zelf doortrekken. En mogelijk ook nog cameratoezicht maar daar dacht ik maar liever niet aan. Overigens werd een aantal dagen later de portemonnee teruggevonden in een vuilnisbak. Leeg.
Maar dit alles terzijde. We liepen gedrieën langs de hertjes in de Koekamp en we passeerden het pannekoekenrestaurant aan de rand van het Malieveld. Even bekroop mij de aandrang om de loop de loop te laten en te gaan zitten voor (in mijn geval) een appel-rozijnen-spekpannenkoekje, maar ik vond dat we dapper moesten zijn. Bovendien stond mijn portemonnee hiervoor nou ook niet bepaald te juichen. We betraden het start- en finishterrein waar een enorm tentenkamp was ingericht ten gerieve van al die atleten en atletes. Ik ontwaarde plots de ingang van de parkeergarage onder het Malieveld. Met een bittere glimlach dacht ik terug aan die regenachtige avond toen – na een bezoek aan het voortreffelijke restaurant Lokanta op het Buitenhof en het literair theater Branoul in de Maliestraat – de parkeerplaats al gesloten bleek te zijn. Met daarin wel nog mijn Vivid Green Mazda Stationwagen die daar laag en droog stond te wachten op onze komst. Het kostte meer dan een uur voordat een ijverige employee van Q-park voor een bedrag van maar liefst 50 Euri het voertuig kwam bevrijden uit zijn eenzame opsluiting. Knap chagrijnig werd ik daarvan, to say the least. Ik geef mijn goede geld – en zeker nu het zo weinig is – toch liever uit aan zinvollere dingen.

Het Malieveld was voor mij vroeger het toneel van Pasar Malams (als kind) en Samson en Gert (mét kind). Maar ook heb ik ooit eens gedemonstreerd met de HBO-docenten voor een betere CAO, tijdens mijn studieperiode aan het begin van de Roaring Eighties. Ik vervulde toen allerlei functies in commissies en werkte veel samen met onze docenten. Ook toen al was ik behoorlijk activistisch en loyaal jegens deze zwakkeren in de samenleving, ofschoon ik toen nog wel VVD-lid was. En dat gaat eigenlijk niet samen. Maar die schellen vielen mij pas veel later van de ogen. Nooit te oud om iets te leren zullen we maar zeggen. Ik vertoefde overigens in die tijd ook al regelmatig met mijn linkse vrienden in linkse bolwerken als de Blauwe Aanslag, een kraakpand aan het Buitenom verderop in de stad. Het had tot 1978 dienst gedaan als belastingkantoor, vandaar de naam.

Ook dat alles weer geheel terzijde. Op het gemak kleedde ik mij om, gadegeslagen door het happy loving couple, die mij daarna trakteerden op een fotoshoot in mijn nieuwe outfitje. Omdat ik een enorme gier ben, besloot ik om niet mijn spullen tegen betaling af te geven bij de kledinguitgifte, maar deze aan mijn supporters mee te geven om er de rest van de middag mee rond te zeulen. Daar worden ze hard en weerbaar van, die jongelui. Even later namen wij ontroerd afscheid: tegen vijven die middag zouden wij bij leven en welzijn elkaar weer zien en dan zou alles duidelijk zijn.

Intussen had ik Nico ontdekt in de uitzinnige mensenmassa. Deze aimabele Goudse Runner was samen met zijn neef op het spektakel afgekomen, en met z’n drieën liepen wij een aantal ronden door de Koekamp ter voorbereiding. Tijdens het inlopen werd het me al snel gewaar dat ik niet in blakende vorm stak, maar enfin ik moest het allemaal maar nemen zoals het was. Slechter dan Amsterdam kon het immers niet worden, toch? En dan bedoel ik niet zozeer de eindtijd, maar wel de martelgang die daaraan vooraf ging. Iets waar overigens Nico destijds getuige van was: hij deed daar ook mee en liep vele minuten eerder dan ik het stadion binnen. But that was then, and this was now. En zo hobbelde ik parmantig richting startvak waar het enorm dringen was geblazen. Nico en neef was ik inmiddels al kwijtgeraakt in de massa, maar het was sowieso niet mijn bedoeling om mij aan het hoge tempo van Nico te conformeren – dan zou ik mijzelf waarschijnlijk gruwelijk opblazen.
Even na half drie klonk dan eindelijk het verlossende startschot. Het bleef een hele tijd dringen, schoppen en slaan in de massa, en dat ging uiteraard ten koste van de aanvangssnelheid en het gemoed. We passeerden het Provinciehuis, en toevallig zag ik tegelijkertijd een eind voor mij mijn oud-collega André lopen, net als ik informatiearchitect bij dat overheidsorgaan waar ik in 2008 en 2009 gediend had. Ook van André – in zijn vrije tijd diaken in Zoetermeer – wist ik dat ik niet moest proberen zijn tempo te volgen, anders zou het mij slecht vergaan. Even keek ik naar links, de Mauritskade in. Daar, iets verderop, lag het Louis Couperusplein waarnaar de beroemde Haagse schrijver vernoemd is. Op dit plein, in het tijdelijke gebouw van de HTS, kreeg ik in 1990 na negen jaar persen eindelijk mijn HBO-diploma Hogere Informatica uitgereikt. Mijn ouders waren speciaal naar de uitreiking gekomen, deels omdat ze eigenlijk niet konden geloven dat hún zoon, hún zwarte schaapje, ook iets had gepresteerd. Ook daarvoor geldt: dat was toen en dit was nu. Bij de Javabrug kwamen we zowat tot stilstand: het hele zootje moest over die smalle brug worden geperst en dat kan simpelweg niet zoals wij allen weten.
Pas op de Javastraat kwam er iets meer ruimte, en kon ik een voor mij rustig doch gestaag tempo kiezen. Toevallig bracht dat tempo mij direct achter een tweetal helblonde paardenstaarten in de clubkleuren van het Ministerie van Economische Zaken. Silvia en Henriette heetten ze. En omdat ik de neiging heb om zo nu en dan graag in het gezelschap van vrouwelijk schoon mijn hardloopstapjes te zetten, bleef ik in hun spoor om inderdaad zo economisch mogelijk te blijven lopen. Ik liep niet over van energie, dus leek dit mij een mooie gelegenheid om mijn barre tocht voort te zetten. Bij het staren naar de wapperende manen moest ik uiteraard wel goed blijven letten op de tramsporen op de Javastraat, want een enkelverzwikking ligt gauw op de loer daar. We passeerden een bruidsmodezaak. Mijn dringende advies: doe het niet.
Gestaag liepen we langs het chique gedeelte van de Javastraat, ter hoogte van de Alexanderstraat en Plein 1813. Ik was inmiddels in een soort steady state gekomen, en ook de dames hielden het goed vol zo. Af en toe keken we eens goed naar elkaar, als ware het om elkaar te monsteren. Praten deden we niet veel: de concentratie en de cadans waren veel waardevoller dan een goed gesprek op dat moment. Bovendien ben ik niet zo’n prater tijdens het hardlopen: het gaat dan met horten en stoten en veel gehijg en dat zouden deze hindes vast niet echt waarderen. En zeker Henriette niet: die keek af en toe naar mij met een blik waarmee ze wilde zeggen dat ik met haar niet moest spotten. Silvia leek mij wat ontvankelijker voor mijn gezwets, maar ook bij haar bleef ik vooralsnog op mijn hoede. En dus deden wij verbeten voort richting het Vredespaleis. Heel even keek ik naar rechts of ik het oude politiebureau kon zien. Daar sloot mijn ome Jaap mij eens op in een politiecel. U moet weten dat hij destijds (we spreken over meer dan veertig jaar geleden, misschien zelfs vijfenveertig) chief-inspector was bij de Haagse gemeentepolitie. En toen ik een keer bij hem logeerde in Den Haag had hij mij meegenomen naar zijn werkplek, en mij laten voelen hoe het is om vast te zitten. Gelukkig haalde hij er mij aan het eind van de werkdag weer uit nadat ik uren aan mijn ketenen had zitten rommelen en op de muren van mijn cel had zitten bonken.
Just kidding.

Met een mooie boog rondden wij het imposante Vredespaleis op weg naar de Carnegielaan en verderop de Groot Hertoginnelaan. We wisselden regelmatig van koppositie om elkaar zoveel mogelijk te ontlasten. Het ging best lekker zo, en ook het weer speelde goed mee. Het was inmiddels 18 graden, zo zag ik ergens, dus het was wel zaak om ons bij de komende drankposten goed te laven anders zouden we uitdrogen en overkoken – en wie wil dat nou? Opeens hoorde ik achter mij “Hallo Peter”. Verstoord keek ik om en daar kwam Eric, mijn oud-collega bij Defensie, langs gestoven. Geen moment dacht ik er aan mijn stellingen te verlaten om deze goede man te volgen: ik had het nou juist prima naar mijn zin met de struise dames in mijn gezelschap. Dus salueerde ik beleefd richting Eric, en vertrokken was hij.
Na een ellenlang stuk over de Valkenboslaan draaiden wij dan uiteindelijk langs het Esso-station de Loosduinseweg op. Daar was meteen de eerste drankpost en gulzig deden mijn vrouwen en ik ons tegoed aan de daar verstrekte liquide middelen. Even namen we rustig de tijd om te drinken, om niet het risico te lopen ons te verslikken. Daarna deden wij gesterkt voort in zuidwestelijke richting, langs de begraafplaatsen Nieuw en Oud Eik en Duinen. Verderop links moest volgens mij het Zuiderpark liggen, een plek met veel historie. Ooit zagen mijn pappie en ik daar de legendarische wedstrijd tussen FC Den Haag en Ajax (1-2) met het al even legendarische doelpunt van Johan Cruyff. Vlak voor ons zaten Paul van Vliet en Herman van Veen gebroederlijk naast elkaar op de tribune.
We waren inmiddels op de Haagweg beland en het tempo zat er nog goed in. We liepen heel behoudend, en dat was voor mij wel buitengewoon prettig. De eindtijd: daar ging het nu niet om, nee het ging veel meer om het plezier in het lopen en vooral niets forceren. En zo denderden wij uiteindelijk rechtsaf de Groen van Prinstererlaan in, op weg naar het Savornin Lohmanplein. Henriette had hier een grote schare supporters staan, en gewillig lieten we ons hun toejuichingen welgevallen. Heel even stopten we voor een korte fotoshoot, maar die beelden hebben mij verder nooit bereikt. Na dit vrolijke oponthoud beenden wij verder voort. Vlak na het passeren van het grote Savornin Lohmanplein duikt de meute linksaf een woonwijkje in, waar veel mensen waren uitgelopen om ons hartstochtelijk te begroeten. Verlegen door deze hulde liepen wij door de Balsemienlaan (bekend van een lugubere sketch van Van Kooten en De Bie) weer richting Savornin Lohmanplein. Daar gekomen draaiden we met soepele tred de groen omzoomde Daal en Bergselaan op. Alweer stond daar een drankpost en opnieuw laafden wij ons gretig aan de sportdrank en het water dat daar in overvloed werd verstrekt. Het was wel oppassen om niet uit te glijden over de talloze platgetrapte bekertjes die daar op straat lagen.
Het was daar dat Henriette en Silvia besloten om een wat lager tempo te kiezen, omdat zij toch wel wat vermoeid aan het raken waren. Daarin kon en wilde ik niet meegaan: liever behield ik het strakke tempo dat wij tot dan toe gevolgd hadden. Vechtend tegen de tranen namen mijn escortes en ik afscheid van elkaar, en zo liep ik dus even later alleen met al mijn verdriet. Zelfs Rémi zou deze eenzaamheid niet aan hebben gekund. De knop werd snel omgezet: nu was het een kwestie van stug doorlopen en vertrouwen houden in het eigen kunnen.
Gelaten deed ik voort over de Segbroeklaan, en na het overbruggen van het Verversingskanaal schoot ik in het Statenkwartier de Van Boetzelaerlaan in. Chique hap zeg hier, ja dit is een mooi stukje Den Haag. Ik miste mijn gezelschapsdames deerlijk, want ook ik begon de vermoeidheid al te voelen en er waren nog maar liefst zeven kilometers te gaan. Bij de drankpost halverwege de Boetzelaer stopte ik naast ettelijke bekertjes drank ook de nodige fruithapjes naar binnen om mij extra te sterken voor het vervolg van mijn monstertocht. En kijk, bij de Westduinweg nabij de Zeehaven kwam de energie weer een klein beetje terug. En ik rook de zeelucht vermengd met de vislucht afkomstig van de vele restaurantjes op de Lelykade aan de Tweede Haven. Bevrijd stampte ik via de Vissershavenweg richting het strand met z’n talloze strandpaviljoens. Na een klein klimmetje draaide ik rechtsaf de Strandweg op. Ik was aan de kust beland, eindelijk.
De Strandweg liep een tijd venijnig op, best wel lastig na zo’n 15-16 kilometer. In de verte zag ik de Pier, dat compleet verpauperde stukje grandeur van vroeger. Ik passeerde de fraaie vuurtoren vlak bij de Keizerstraat, en links van mij lagen al die strandpaviljoens daar te liggen. Getooid met fraaie namen als Bora-Bora, Niño, Blue Lagoon en Solbeach – ik heb er vele voetstapjes liggen in mijn recente en minder recente verleden. Met een glimlach om al die herinneringen bereikte ik het Paviljoen De Witte en het museum Beelden aan Zee. Daar, vlak bij Sealife dat vroeger een golfslagbad was, draaide het peloton rechtsaf naar beneden richting de Gevers Deynootweg. Er was nog vier kilometer te gaan, en we gingen nu rechtuit naar school en kantoor. Links lag het Kurhaus, en met een flauwe glimlach bedacht ik mij dat ik daar ooit in het casino was beland bij een bedrijfsuitje van het Rekencentrum Nederlandse Groothandel. Van bedrijfswege had elk van ons een flink bedrag meegekregen om te vergokken. Mij had het in ieder geval geen winst opgeleverd.

Met een al wat minder flauwe glimlach herinnerde ik mij plots de koffer-saga op de Scheveningse Boulevard. In die tijd was men nogal alert op het onbeheerd laten liggen van bagage op openbare plekken. Mijn toenmalige partner en ik waren op weg naar één van de strandpaviljoens toen we plotsklaps een grote koffer zagen liggen onder een bankje op de boulevard. Eerst sloegen we er geen acht op. Maar eenmaal in de strandtent, en na de nodige alcoholische versnaperingen, begonnen we flink te fantaseren over het hoe en waarom van die koffer en hoe wij daar als alerte burgers mee zouden moeten omgaan. Na nog (veel) meer geestrijk vocht tot ons genomen te hebben verlieten wij uiteindelijk het pand en waggelden wij de boulevard op. Daar bleek de koffer nog steeds te liggen. En dus – vonden wij – moesten wij terstond naar het politiebureau om melding te maken van deze ernstige terroristische dreiging. Daar aangekomen bleek men ons alleen maar schaapachtig en achterdochtig aan te kijken in plaats van ons serieus te nemen – het feit dat we in kennelijke staat waren hielp daar vast niet aan mee. Wel beloofden ze ons plechtig om poolshoogte te nemen, en met deze woorden werkten ze ons het bureau uit. Gedesillusioneerd sjokten wij terug naar de boulevard, richting restaurant Masada dat tot diep in de nacht open was en ons kon bieden wat we hard nodig hadden. Om daarna op leven en dood te gaan shufflepucken op de Palace Promenade in de speelhal die ook 24/7 open was. Wat een leven was dat toen. Nooit meer heb ik ook maar iets over die prangende kofferkwestie vernomen, en dat terwijl mijn NAW-gegevens plus telefoonnummer ter burele vlijtig waren opgenomen door de dienstdoende politiebeambte.
Op de Badhuisweg spotte ik heel even het Circustheater, een plek waar ik ook al de nodige voetstapjes had liggen. Plots werd opnieuw mijn naam genoemd, en al even verstoord als eerder keek ik om. Daar, alsof het hem niets kostte, kwam GR-hardloopveteraan Mat met een grote grijns voorbij gesjeesd. Deze aimabele, inmiddels gepensioneerde, astronoom bleek zijn race nog wat beter te hebben ingedeeld dan ik. Leuk detail: ook ik wilde vroeger sterrenkundige worden, maar de hiervoor benodigde studie Wiskunde was mij toch iets te veel van het goede.
Wijs als ik nou eenmaal ben besloot ik de goede man niet te volgen op zijn strooptocht naar het Malieveld. Ik bleef rustig gedoseerd lopen, voorzichtig want dan breekt het lijntje niet. En na vele vijven en evenzovele zessen bereikte ik weer het Malieveld na een lange tocht over de Raamweg, met de Hoftoren in het vizier. Na nog een kleine sprint op de Boorlaan overschreed ik toch behoorlijk uitgeput het finishvod in een tijd van 02:08:07. Ongeveer dezelfde tijd als in Amsterdam, maar wel heel veel prettiger gelopen. Door een beeldschone Haagse werd mij een fraaie medaille omgehangen, en ook nam ik dankbaar de nodige versnaperingen in ontvangst. En daar, midden op het Malieveld tussen al die tenten, kon ik Lianne en Luc weer in mijn zweterige armen sluiten. De strijd was gestreden, het leed was geleden. Omdat ik het snel koud kreeg kleedde ik mijzelf om, waarna we ook nog even de tijd namen voor wat fotoshoots.

Tevreden beenden we het Malieveld af, richting de Haagse binnenstad. Op speciaal verzoek van de jongelui gingen wij naar de KFC, door henzelf aangeduid als Le Kentucky Fried Poule. Tja dat heb je met die youngsters hè, ze slaan de raarste taal uit als je niet oppast. We liepen over de Herengracht, door de Korte Poten richting Plein. Even keek ik met een nostalgische blik richting het pand waar vroeger de Stella Taverne was gehuisvest, een pleisterplaatsje van mij in de tachtiger jaren, met veel Leffe Doubles van het vat. Snel liepen wij door over de Lange Poten, want de eetlust begon nu wel behoorlijk te knagen. Ik weerstond zo ook de verleiding om het American Book Center in te lopen om lekker te gaan boekeloeren. Maar ja, die taal hè.

Tevreden snackten we op de bovenverdieping van de KFC onze kipmaaltijd naar binnen terwijl we enthousiast elkaars verhalen aanhoorden. Lianne en Luc hadden het opperbest naar hun zin gehad in de binnenstad, lekker shoppen en terrassen bevolken. En ik, tja ook ik had uiteraard het nodige te vertellen. Tevreden werkten we nog een ijsje naar binnen, waarna het tijd was om te vertrekken. En toen gebeurde het: ik kwam met geen mogelijkheid meer zelfstandig de trap af. Zo aangedaan was ik blijkbaar na die twee uur durende marteltocht. Slechts met behulp van mijn supporters kon ik nog van die trap af worden gehezen. What a palaver zouden ze in Engeland zeggen, maar dat soort uitdrukkingen gebruik ik zelf al twee jaar niet meer.
’s-Avonds, voor pampus op de bank gelegen, appte ik de volgende tekst naar Salford, naar Jantine die ik tevoren gekscherend tot mijn coach had benoemd:
‘Heeey coach, weer thuis na een bizarre halve marathon. Echt vreselijk warm vandaag, en vooral in de eerste kilometers ontzettend druk en rommelig. Dus gauw een geheel eigen en relaxed tempo gekozen, zeer comfortabel totdat het na 16km op de boulevard erg zwaar werd door de warmte en het klimwerk. Desondanks nog redelijk soepel uitgelopen, maar goede tijden bleven buiten bereik. Maakt niet uit. Heb 02:08:07 gelopen, sneller dan Gert en Martijn (collega GR-lopers, red.), maar langzamer dan Nico. Volgens mij waren er, door de warmte en mogelijk te weinig drinken, aardig wat uitvallers die afgevoerd moesten worden. Zelf ben ik al met al tevreden omdat het echt stukken beter ging dan in Amsterdam!’

En zo was het, en niet anders. En toen kwam er een olifant met een heel grote snuit.

Geweldig dat jij zoveel jaren na dato nog al die details te berde kan brengen! Of heb jij beide duimen in flinken mate gebruikt? Hoe dan ook is het traditiegetrouw een uiterst leesbaar relaas geworden. Mijn complimenten daarvoor!
Dankjewel Arranraja! Het is behoorlijk waarheidsgetrouw – zullen we dat er maar van maken?
Nee, Peter kennende, al bijna 45 jaar, heeft zijn duimen niet gebruikt.
Als zijn duimen omhoog staan, zoals op de foto ‘Macho Man nr 12056’ is dat niet om ze in de wind te laten drogen…
Dit stuk was inderdaad over een moeilijke periode. Gelukkig is in de laatste jaren e.e.a. goed op z’n hanepootjes terecht gekomen.
Ben benieuwd hoe ver in de tijd hij nog terug zal gaan. Hopelijk gaat hij ons vermaken met een bepaalde ‘verhuisrit’, dwars door de Lage Landen, waarbij hij met bloed, zweet en tranen een Antwerpse garage heldhaftig heeft weerstaan. Om daarna bij te komen bij Panos. De Panos is er volgens mij nog, de garage denk niet meer, maar daar heeft hij verder geen hand in gehad.
Het was verdorie nog in een hoge bestelbus ook, daar in Handwerpen!
Flink peentjes gezweet, flink getobt zullen we maar zeggen. 😉