Uiteraard, we hadden het verwacht. Maar toch was het voor iedereen schokkend, op die kwade donderdag in juni. Het verdict, door de geriater uitgesproken, was even duidelijk als pijnlijk. Alzheimer, en in het algemeen: dementie, treft zovelen. Maar nu (be)treft het mijn bloedeigen vader en dus trof het mij als een mokerslag – en mij niet alleen.

Alzheimer en andere vormen van dementie zijn niet per definitie erfelijk, maar het geeft wel te denken, met name voor mijn zus Eveline en voor mij (en onze kinderen), en voor de broer en zussen van mijn vader. Onze oma Lien trof namelijk hetzelfde lot, alhoewel dat nooit officieel als Alzheimer werd gelabeld. Maar toch. En ook oma’s zus Adrie en broer Jaap kregen te kampen met dementie.
Zeker in de eerste weken na de diagnose kreeg ik zelf te maken met een bijzondere mindfuck: bij elke naam, bij elk woord dat ik vergat dacht ik: zou ik ook niet? Bij elke keer dat ik de trap op liep en eenmaal boven gekomen totaal niet meer wist wat ik er kwam doen dacht ik: is dit dan mijn voorland? Terwijl deze dingen al mijn hele leven voorkomen en dus doodnormaal zijn. Heel vermoeiend en frustrerend is dat, en dat is nu langzaam aan het wegslijten. Ooit had ik op dit platform al eens geschreven dat ik deze kletspraatjes ook opteken voor mezelf, voor in een tijd dat het voor mijzelf misschien ook moeilijker zou worden om me dingen te herinneren.
Eehh ja, het komt nu wel dichtbij allemaal.
De enige die niet onder de indruk was van de nieuwe situatie: dat was de patiënt zelf. Hem was te verstaan gegeven dat autorijden na deze diagnose niet meer mogelijk zou zijn – en dat was dan ook het enige waarover hij geschokt was. Naar zijn al dan niet bescheiden mening was en is er namelijk niets aan de hand met hem. In termen van het veelgebruikte SARAH-acroniem en had hij de eerste twee fasen S(hock) en A(nger) overgeslagen en was hij direct naar R(esistance) of R(ejection) gesneld. Het klopte niet dat er iets met hem aan de hand was. Onzin, humbug, kletskoek.
De andere aspecten van SARAH zijn A(cceptance) en H(elp), H(ope), of H(ealing). Van dat laatste hoeven we helaas niet veel meer te verwachten, temeer daar ik – hem kennende – de indruk heb dat de A van acceptatie er niet of nauwelijks zal komen. Ik heb nu al het gevoel dat hij nooit helemaal zal begrijpen wat er met hem aan de hand is, en ik leid dat af uit de aard van zijn ziekte en de stelligheid waarmee hij nu al een aantal maanden zijn situatie ontkent.

Uiteraard heb ik enorm met mijn vader te doen, ofschoon (of misschien ook: doordat) hij het dus zelf niet begrijpt. Het is voor mij het diep indringende besef dat hij lijdt aan een niet te genezen hersenziekte die hem langzaam maar zeker transformeert en doet afglijden naar een wisse dood. Bekend zijn de gedragsveranderingen die daarmee gepaard kunnen gaan, gecombineerd met het de waarschijnlijkheid dat hij ons op een zeker moment niet meer zal herkennen. Je weet dat hij erdoor geen fysieke pijn heeft, maar je hebt eenvoudigweg geen idee wat er in zijn mind (en hart) omgaat, temeer daar hij sowieso al moeite heeft om zich over dit soort dingen uit te spreken. Het drukt zwaar op alle naasten, terwijl het niet zo zwaar op hem lijkt te drukken. Maar ach, misschien is dat dan maar beter ook. Of is het zo dat schijn bedriegt?
Hoe dan ook: er moest en moet flink gehandeld worden. Er stond om te beginnen nog een bolide voor de deur, en dat kon helaas niet langer zo. Come to think of it: eigenlijk kon het al een flinke tijd niet langer zo, maar wat hem (en ons) redde was dat er zich geen ernstige incidenten hadden voorgedaan. Mensen die de laatste jaren met hem meereden hadden weliswaar doodsangsten uitgestaan, maar afgezien daarvan waren ze nooit slachtoffer geworden van zijn rijgedrag.
En dus was het aan mij de schone taak om naar goed gebruik de ouweheer uit de auto te lullen. Net zoals hij dit destijds met zijn eigen vader had moeten doen, omdat diens rijgedrag ook al geruime tijd de mensen de stuipen op het lijf had gejaagd. En dus moest ik deze zoon-op-vader traditie voortzetten, en dat is geen sinecure zoals menigeen zal begrijpen. By the way: doordat ik naar mijn weten geen zoons heb, zal hoogstwaarschijnlijk een vrouw (Elfriede en/of mijn dochters) mij te zijner tijd moeten gaan wijsmaken dat autorijden er voor mij niet meer inzit. Tenzij er een schoon- of bonuszoon opstaat om genoemde dames die taak uit handen te nemen.
Gelukkig had ik enige professionele steun, want inmiddels hadden we een heuse casemanager dementie toebedeeld gekregen. Haar naam is Marleen en ze is al net zo’n King Louie-adept als mijn bloedeigen vrouw. Het enige verschil is dat ik de smaakvolle kledij van dat merk slechts voor mijn eega koop en aan haar cadeau doe. Dat is dan jammer voor Marleen, maar zo moet het gespeeld worden als je de relatie met de huidige liefde van je leven gezond wilt houden.
Vanaf het eerste gesprek dat wij (mijn vader en Eveline en/of mij) met Marleen hadden bestond bij ons de stellige indruk dat zij haar pappenheimers kent en in dit geval dwars door zijn mooie, langdradige en ontkennende praatjes heen keek. Praatjes die vaak – hoe krijgt hij het voor elkaar – helemaal niets met de onderhavige situatie van doen hebben. Ook het onderwerp autorijden kwam op enig moment ter sprake. Niet onbegrijpelijk als dat het enige is dat hem verontrustte. En ook zij adviseerde hem/ons om daar maar zo spoedig mogelijk een einde aan te breien. Maar toch moest er van mijn kant nog de nodige overtuigingskracht en tact aan gespendeerd worden. En uiteindelijk brak zijn verzet – misschien toch nog een stukje A(cceptatie) dan. De prijs die hij van ons eiste was niet mis te verstaan: vanaf dat moment moeten wij hem overal en nergens naartoe slepen als hij daar behoefte (of noodzaak) aan heeft.
Ook moest de auto uiteraard zo snel mogelijk weg – want je weet maar nooit, en ik vond het ook erg flauw om voor de tussentijd dan maar een kabeltje onder de motorkap los te trekken om onheil te voorkomen. Voelt als een soort van verraad, immers. Eerst ging neef Martijn er een paar weken mee op vakantie (een uitkomst!), daarna bleef het vehikel bij zusterlief in Rotterdam staan om aldaar in gebruik te worden genomen. Gevaar definitief geweken.

Een probleem van een heel andere orde was (en is) het huis in Leiderdorp. Door ongebreideld hoarding-gedrag, dat volgens geleerden deels toegeschreven kan worden aan hun tijd in de kampen in Nederlandsch Indië, was het huis overvol met allerlei spullen die ooit waren aangeschaft maar nooit waren weggegooid. Sommige spullen zijn zelfs nooit gebruikt en/of nog nooit uit de verpakking gekomen. Resultaat was dat je je kont er niet kan keren, zeker op de bovenste verdieping niet. Waar schrijver dezes ooit zijn jongenskamer had, was de totale ruimte nu volgestouwd met spullen. Van alles door elkaar. U zult denken: hadden jullie dat als kinderen nooit eerder gezien? Dan moet U begrijpen dat mijn ouders wel heel slim zijn geweest om dit alles te verbergen. Ook naar ons toe. En wat ook helpt is dat wij het natuurlijk wel in de loop van de tijd heel langzaam voller hebben zien worden, maar dat je dan ook niet zo door hebt hoe erg het wordt. Denk maar eens aan de kikker in de kookpan.
Omdat we nu nog geen idee hebben hoe lang het gaat duren voordat onze vader de woning zal moeten verlaten, doordat het niet meer kan, zijn Eveline en ik alvast maar begonnen met het heidense karwei van het leegruimen van het huis. Het gaat mogelijk nog geruime tijd duren, maar ooit krijgt hij de indicatie 5 en openen de deuren van de verzorgingshuizen zich voor hem. En dan kun je maar beter heel vergevorderd zijn met het opruimen en leeghozen van het pand. Wel verzet hij zich af en toe tegen onze ruimacties (heee toch iets van A(nger)!), maar meestal is hij er gelaten onder: misschien door de gêne die hij voelt doordat hij toch wel snapt dat het moet gebeuren omdat ze het zo ver hebben laten komen, en ook door de wetenschap dat hij aan deze werkzaamheden zelf geen bijdrage meer zal leveren. En dus ploeteren we gestaag door, meestal op de vrijdag want dan hebben wij allebei vrijaf. Heel slim heeft Eveline ervoor gezorgd dat hij juist op de vrijdag naar de dagbesteding in De Sterrentuin gaat, een paar straten verderop bij winkelcentrum Santhorst. Voor mij een begrip, voor U des te minder maar daar gaat het dan ook niet om.
Ik wou het voor nu maar even laten wat betreft dit droevig stemmende onderwerp – het is zo wel zwaar genoeg, voor U als lezer en voor mij als zoon en schrijver. En er gebeurden ook een veel andere zaken in de maanden vanaf juni tot vandaag. Zaken waarbij soms ook mijn pappie betrokken was, maar dan wel op een leuke manier.
Op zondag 26 juni, drie dagen na het sneue verdict, nam ik vaderz mee voor een wel heel nautisch en meeslepend evenement. Op die fraaie zonnige Dag des Heeren togen we getweeën naar Amsterdam voor een bezoek aan de Wereldhavendagen. Het was alsof we een enorme stap terug in de tijd gingen maken: samen bezochten we ooit tot beider groot plezier twee Sail-manifestaties: die van 1975 en 1980 in de hoofdstad. In een eerder kletsverhaal repte ik er al uitvoerig over. We bewonderden de oude, maar perfect onderhouden drie- en viermasters en voeren in (de) Eendracht over het IJ. Het was in een tijd dat het leven goed was. Alhoewel: in augustus 1980 was ik net met mijn studie gestopt, het Delftse Debacle u weet wel, dus de ouweheer zal op dat moment niet bijster happy geweest zijn met zijn gesjeesde zoon. Nou ja, de Sail was dan een goede afleiding zullen we maar zeggen.

Maar nu, 42 jaar na dato, gingen we dus het Amsterdams havengebied opnieuw verkennen. Tot drie maal toe vroeg hij tijdens de heenreis waar we naar toe gingen. Tja, ik wist dondersgoed in welke fase we inmiddels waren beland met hem. Toch bleef hij tijdens de reis en ook verder gedurende de dag blijmoedig en opgewekt, voor mij een hele opluchting want ik kon niet bevroeden wat de impact van die recente fatale mededeling op hem was. We genoten van de rondvaart op het oude marinescheepje Mahu, waarbij hij als oud-navigatieofficier een kijkje mocht nemen in de kaartenkamer – daar leefde hij helemaal van op. Feilloos wist hij allerlei kartografische details op te lepelen. Details die in het digitale tijdperk anno 2022 misschien niet meer zo van toepassing zijn, maar die in de tweede helft van de vorige eeuw nog ‘hot’ waren. Het lag allemaal ook in lijn met het verloop van zijn ziekte: eerst het kortetermijngeheugen aan gort, daarna in gestaag tempo de rest.
Na de tocht op de Mahu en een welverdiende pannenkoek aan lager wal trakteerde ik hem nog op een grote rondvaart door het havengebied ten westen van Amsterdam. Samen zaten we op het grote dek en keken we onze ogen uit. En ondanks dat je kon zien dat de vermoeidheid er bij hem inmiddels flink was ingeslopen genoot hij nog steeds met volle teugen van alle leuke verhalen die door de dienstdoende boordspeaker werden gedebiteerd. En het weer was mooi en bleef mooi die dag. Wat blijft hangen bij mij zijn heel gemengde gevoelens, van verdriet vanwege zijn toestand tot blijdschap en trots op die min of meer krasse ouwe knar die het toch al ruim 61 jaar met mij heeft uitgehouden.

En zo proberen Eveline en ik in deze tijd, waarin onverbiddelijk zijn levenseinde nadert, het hem zoveel als mogelijk naar de zin te maken. Uitstapje hier, etentje daar, puur dingen doen die hij fijn vindt. Zelf zal hij geen initiatieven daartoe nemen – dat doet hij al tijden niet meer – dus doen wij dat maar. En zo verenigen we het voor hem aangename met het voor ons aangename. Nuttig is het sowieso.
Inmiddels had Jantine het weer eens flink op haar heupen gekregen. Dochterlief was amper met partner en kleinhond terug uit Noorwegen, na een buitengewoon avontuurlijke trip, of het volgende snode plan was alweer geboren. Ditmaal zou ze per fiets de afstand van haar woonplaats Leiden naar Rome gaan overbruggen. Een soort van fietscamino dus. In juli zou zij in drie etappes Leiden-Gorinchem-Eindhoven-Maastricht tot aan de grens geraken. Vervolgens in één weekend van Maastricht naar Luxemburg, in september in 12 dagen naar Milaan en dan ergens in het komend voorjaar van Milaan naar de Italiaanse hoofdstad. Behoorlijk ambitieus dus, maar dat ken ik wel van haar. En ook wel een beetje van mezelf. De eerste etappe – zo had zij aangekondigd – zou haar langs ons stulpje in Gouda brengen. En zo gezegd, zo gedaan: op zondag 10 juli landde zij op Goudse bodem. Maar die landing was wel behoorlijk onzacht, om het maar zacht uit te drukken. Achter ons huis, vlak bij het tuinhek weigerde een van haar toeclips los te schieten en viel zij met fiets en al op de straatstenen. Een bloedende knie was onder andere het gevolg. Terwijl Elfriede zich met bonusmoederlijke liefde over haar bonusdochter ontfermde, sloopte ik met enig ongepast geweld haar wielerschoen van het pedaal af. Of omgekeerd, zo u wilt. De fiets zelf had gelukkig geen noemenswaardige schade opgelopen.
Na een eenvoudig doch voedzaam maal op ons buitenterras vervolgde Jantine haar weg richting Gorinchem, het eindpunt van de eerste etappe. Om even te checken of het nu wel goed ging fietste ik met haar mee naar Schoonhoven en zette ik haar veilig af bij het pontje richting de Alblasserwaard en eindpunt Gorinchem. Dit uiteraard na een welverdiend drankje aan de boorden van de Lek. En we zagen dat het goed was.

De zaterdag erop zag ik Jantine opnieuw. Nu had ik haar zover gekregen dat ze met mij mee ging doen aan de bij leven al legendarische jaarlijkse Red Rose Run in het Groenhovenpark. Zoals al vaker uitgelegd is dat een zeer geanimeerd Goudse Runnersgebeuren waarbij de atleet een afstand van 3 kilometer wegdraaft. Als je dan over de eindstreep bent gekomen ontvang je van trainer Rob en zijn eega Susan een rode roos voor de geleverde inspanning. Vervolgens wordt er een grandioze Amerikaanse fuif georganiseerd: een ieder neemt een lekker eigengemaakt hapje mee. Uiteraard had ik ook ditmaal de aardbeienjam verhapstukt (bron: Arranraja) die het zo goed doet op de pannenkoekjes van Liesbeth en Wim.

Een half uur voor aanvang pikte ik Jantine op van het prachtige, Anton Pieckachtige, Goudsche Station en peddelden wij samen naar de plek des heils. We spraken af om tijdens de loop bij elkaar te blijven: Jantine kende daar heg noch steg noch wie dan ook, en bovendien was zij nog behoorlijk onder de indruk van een avondje stappen en doorzakken. Tja, die jongelui hè? En aldus geschiedde: na de gezamenlijke opwarmronde en loopscholing liepen wij in een niet al te hoog tempo onze 5 ronden á 600m elk. Pas in de laatste ronde testte ik haar door ietwat te versnellen, maar veel achterstand liep ze niet op. En zo denderden wij tevreden in een tijd van iets boven de 18 minuten over de finish en lieten we ons de brunch goed smaken. Leuk om mijn oudste dochter op deze manier kennis te laten maken met onze loopgroep. En vice versa natuurlijk.

Een paar dagen later banjerde ik alweer in vrouwelijk gezelschap door Gouda. Bonuszoon Maarten en zijn Maltese girlfriend Greta waren vanuit het Mediterrane eiland overgekomen naar Holland om een weekje bij ons te logeren. En omdat Greta ook met het hardloopvirus is besmet, besloten wij op woensdag 20 juli in alle vroegte onze loopschoentjes uit het vet te halen en onder te binden, opdat ik met haar een loopje kon nemen.
In een lekker, niet al te hoog, tempo liepen bonusschoonvader en bonusschoondochter in de stralende ochtendzon een kilometertje of vijf door de Goudse dreven. De een wat soepeler dan de ander, en u weet dan ongetwijfeld wel wie de een is en wie de ander, toch? Met nog een kleine versnelling draaiden wij weer onze straat in voor zelfs nog een klein eindsprintje. Waarna wij ons vermoeid doch voldaan bij Elfriede en Maarten aan de ontbijttafel nestelden en ons het eitje met zalm goed lieten smaken.

Later die week kwam ook het verdict van de bedrijfsarts van Partou: ik moest van Coby met onmiddellijke ingang stoppen met werk, en dat voor onbepaalde tijd. Zij was ervan overtuigd dat ik Long Covid had, en vond dat ik nu de rust moest gaan pakken die ik in haar optiek al tijdenlang nodig had. Ik vond het heel ingewikkeld: ik snapte deze rigoureuze stap wel, maar het zou betekenen dat mijn verbinding met de werkvloer voor langere tijd verbroken zou worden. Maar, zo betoogde Coby in haar gesprek met mij, terugkomen van Long Covid is veel lastiger dan terugkomen van een burn-out. Een terugval zou mij helemaal terug naar af brengen. That remark hit home moet ik u zeggen. En dus volgde ik gedwee haar dringende advies op. Want met Coby valt niet te spotten, bovendien moet je nooit tegen een bedrijfsarts ingaan. Sporten mocht nog wel een beetje, zolang ik maar normaal deed. En dat laatste was uiteraard niet aan dovemansoren besteed. Alhoewel…
Die vrijdag, de 22e juli, zag ik Jantine alweer. Maar de aanleiding was opnieuw bijzonder. Schoonzoon (in spé) John en zijn boezemvriend Daan gingen die dag de Vierdaagse voltooien. Of eigenlijk moet ik zeggen: Driedaagse, want de organisatie had dinsdag vanwege de (te) grote warmte de eerste marsdag geschrapt. Dat was in mijn tijd (1995) wel anders: bij 37 graden werd er gewoon doorgelopen. But that was then, and this was now. In 2006 werd de Vierdaagse na één dag geheel afgelast, nadat twee wandelaars overleden en honderden mensen flauwvielen in de hitte. Het protocol werd daarop ijlings aangepast. Begrijpelijk, want er rust een zware verantwoordelijkheid op de organisatie. Als Michael en ik in ‘95 onder datzelfde protocol hadden moeten lopen was het voor ons bij een Tweedaagse gebleven. Buitengewoon frustrerend zou dat zijn geweest, als u het mij vraagt.

Eerder die dag had ik Elfriede met een lichtblauw merino-shirtje naar Uitgéééést gestuurd, alwaar ze met vriendin Marianne een weekje ging uitblazen van de doorstane ontberingen met zoon-, schoondochter- en manlief. Het kan soms gewoon te veel zijn. En zo had ik even een tijdje het rijk alleen. King of the Castle, Ruler of the Stulp, u kent dat wel. Slingers uit de kast, stereo op tien, party time. Maar eerst op naar Nijmegen dus. Op het stationneke van Leiden pikte ik twee enorme bossen gladiolen op. Eigenlijk veel te groot en te zwaar voor de toch al zo getormenteerde wandelhelden, maar enfin. Het ging tenslotte om het gebaar, en dat gebaar kan niet groot genoeg zijn, toch? Buiten het station trof ik Jantine, die mijn kleinhond Félix aan het uitlaten was. Niet veel later treinden mijn oudste spruit, de gladiolen en ik richting Nijmegen om aldaar de intocht luister bij te zetten. Eigenlijk helemaal niet leuk, want zowel Jantine en ik zijn niet bepaald uit het juiste toeschouwer-hout gesneden. Liever doen we zelf mee aan dit soort evenementen. Maar vandaag waren wij eventjes niet belangrijk – dat waren wel de twee vermoeide matadoren die wij 1 kilometer voor de eindstreep troffen en die vervolgens met een overload aan achterlijke gladiolen verder moesten zeulen richting verlossende eindstreep. Maar ach, gelukkig waren Jantine en ik zo eindelijk van die loden last af.

Jongste dochter Lianne vertoefde ten tijde van dit alles met Roy op Bali, vanwege het zoveeljarig huwelijk van Roy’s vader en bonusmoeder. Ze hadden er de tijd van hun leven, zo lieten ze ons telkens dolenthousiast blijken. Op de 22e juli vierde Roy bovendien zijn 26e verjaardag, een festijn dat wij natuurlijk niet met hem konden vieren maar waaraan we (Greta, Elfriede, Maarten en ik) middels een paar mooie felicitatie-filmpjes toch de nodige aandacht schonken. Het werd ons in grote dank afgenomen. Op 27 juli haalde ik de jongelui op van Schiphol en bracht ze naar Zoetermeer, alwaar Roy een knus hondenhokje bewoont.

En toen werd het eventjes tijd voor onszelf, voor Elfriede en voor mij. We bezochten begin augustus voor de inmiddels vijfde keer ‘ons’ Maastricht. Voor de vijfde keer ons mooie hotelletje aan de Maas, voor de vijfde keer de ontbijtjes bij Van Buuren, voor de vijfde keer de Pints of Guinness in Peter’s Irish Pub (hoe kan het ook anders!), voor de vijfde keer de lekkere restaurantjes voor lunch en avondmaal, voor de vijfde keer lekker wandelen in het heuvelachtige achterland, voor de vijfde keer de deur platlopen bij de Dominicaner Boekhandel in de oude Domicanenkerk. En elke keer weer even leuk. Even er helemaal uit, even naar het buitenland maar toch weer niet.

We liepen van het prachtige Krijtlandpad het prachtige tussenstuk tussen Gulpen en Slenaken. We trotseerden terug in Maastricht de warmte met een lekker drankje bij de oude imposante Helpoort. We smulden bij Preps van een vegetarische/veganistische lunch (dankjewel Tessa!). We banjerden door de Hoge Fronten en bewonderden de nabijgelegen basiliek. En uiteraard was er het Bonnefantenmuseum met altijd weer bijzondere exposities, want zeg nou zelf: een trip naar Maastricht kan anders niet compleet zijn.

Teruggekeerd van beneden de Grote Rivieren hadden we op 15 augustus weer een heel anderssoortige gebeurtenis. De herdenking van de Japanse capitulatie in 1945 in het Voormalig Nederlandsch Indië. En u weet: zelf heb ik niet zo heel veel met het koloniale verleden daar, maar de generaties boven mij des te meer. En er stond iets bijzonders op het programma. Op deze dag gingen mijn oom Jaap en mijn vader samen een krans leggen bij het Indiëmonument in het Park Eekhout in Zwolle. En daar ga je natuurlijk wel naartoe. Voor mijn vader een bijzondere gebeurtenis, misschien wel de laatste Indiëherdenking die hij bewust zou meemaken, je weet immers maar nooit hoe snel het kan gaan.
In de middag togen Elfriede en ik per trein naar Zwolle, en na een obligaat bezoek aan Van de Velde Boeken (je wil je partner immers niet ontrieven) streken wij neer bij Ristorante Bella Napoli voor een uitmuntende pizza en een zo mogelijk nog lekkerder ijsje na. Voldaan en volgevroten hobbelden wij naar het park, waar we ruim op tijd waren voor de plechtigheid. En het was imposant hoor, om te zien hoe deze twee mannen op hoge leeftijd de krans legden namens de Nederlandse burgers in de interneringskampen destijds. Het maakte mij hanetrots op ze, en de gedachten over wat ze in die kampen hadden meegemaakt – ook al waren ze nog betrekkelijk jong – hielden mij nog lang daarna in de greep.

De twee weken daarna vulden zich voornamelijk met wandelen. Dat leek mij, gezien mijn gezondheidstoestand en het advies van Coby, heel heilzaam en raadzaam. Ik maakte een trip van 27 kilometer van Hilversum naar Hollandse Rading, via Baarn en Lage Vuursche, grotendeels over het Trekvogelpad. Een heerlijke strooptocht door de Utrechtse wouden. Twee dagen later wandelde ik met (alweer!) Jantine van Loenen naar Hoenderloo, ook al over het Trekvogelpad. We ontmoetten elkaar op de bushalte in Loenen, waar ik dochterlief trakteerde op verse koffie die ik in de Kiosk op het Apeldoornse Hauptbahnhof in een thermoskan had laten storten. Ze had daags tevoren van Brummen naar Loenen gelopen en had daar in een piepklein Decathlon-tentje gekampeerd. Laten we het erop houden dat het tentje op geen enkele manier voldeed aan de eisen die eraan gesteld mochten worden. En dus zeulden we het onding 21 kilometer mee tijdens een verder prachtige wandeling langs onder andere het illustere wegrestaurant Mendel. Aangekomen te gener zijde legden we de tent nog even te drogen tijdens een bier & bitterbal in Proeftuin Hoenderloo. Vervolgens dumpten we het kreng in een vuilniscontainer op het busplatform van Station Apeldoorn. Een desinvestering eerste klas derhalve: dat dus nooit weer.

En om de Trekvogel Trilogie te voltooien liep ik een dikke week later maar liefst 38 kilometer van Baarn naar Maarn – dat rijmde zo mooi dat dat wel mijn route móest zijn. Volgens mij zijn er ook geen andere woorden die daarop rijmen, maar dat terzijde. Het was een fabelachtige tocht via Soest, Soesterberg inclusief het oude vliegveld en het Nationaal Militair Museum, en vervolgens de Pyramide van Austerlitz en het dorpje Austerlitz zelf. Ik was aardig kapot van die barre tocht, maar het bevestigde gelukkig wel dat ik het nog in me had. Die wat grotere afstanden bedoel ik. Ik beloof plechtig dat, zodra ik het hele Trekvogelpad heb voltooid, ik er wat ‘nauwgezetter’ verslag van zal doen in een separaat kletsverhaal.
Tussen al die wandeltochten in gebeurde er nog wel het nodige. In de eerste plaats verblijdden Jantine en John ons met het nieuws dat ze een huis gingen kopen in Vlaardingen. Voor John een thuiswedstrijd: hij werkt al geruime tijd bij de gemeente Vlaardingen. Voor Jantine een uitdaging, want het ministerie van BZK verhuist niet mee naar de haringstad, en dus zal zij veel meer tijd en kilometers moeten verhapstukken om op haar werkplek te komen. Daar staat dan wel weer tegenover dat ze heel dicht bij moeders in Maassluis komt te wonen, vast met het oog op een toekomst waarin de kleinhond wellicht concurrentie krijgt. Enfin, het zijn keuzes die mensen maken. En ik ben hoe dan ook trots op ze, en blij voor ze.
Party time again: in het laatste weekeinde van augustus vierde Eveline op uitgebreide wijze haar zestigste verjaardag, met een big event in haar achtertuin. En uiteraard zetten Elfriede en ik koers naar Leiderdorp om onze pipa op te halen voor dit grootse festijn. En hij genoot er zichtbaar van, zoals u op de aangehechte foto kunt waarnemen. Het was een onbewolkte bedoening daar in Hillegersberg, en er vertoonde zich na zonsondergang een prachtige sterrenhemel. Spekkie naar het bekkie van onze ouweheer, die naar iedereen – gevraagd en ongevraagd – nog maar eens van zijn grote astronomische kennis blijk gaf. Het vervulde mij met trots – zelf kan ik alleen de maan, Orion en de Grote & Kleine Beer herkennen mits ik in vorm ben. En oh ja, ook nog de zon. Uiteraard versleepten we de vermoeide sterrenkundige na afloop weer naar zijn woonplaats. Het was een mooie gedenkwaardige avond geweest, waarvan je je toch ook afvroeg: is dit voor hem de laatste keer geweest dat hij een van onze kroonjaren viert? Het is allemaal zo ongewis.

Een week later hadden Jantine, Lianne en ik alweer een mooie gebeurtenis voor hem in petto. Ik haalde hem op in Leiderdorp voor een vaartocht in Leiden – het klinkt wat eentonig maar dat is waar hij echt van geniet, en al zeker als dat met zijn allernaasten plaatsgrijpt. Zijn kleinzoons Sjoerd, Martijn en Wouter (zoons van Eveline en Marc) hadden hem niet zo lang geleden ook al in de boot genomen richting Pampus en het Muiderslot. En ook dat was een schot in de roos gebleken. Dus waarom niet nog een varend festijn? We reden naar het onderkomen van Jantine en John in – nu nog – Leiden, daar waar Lianne zich inmiddels ook had gemeld. Gevieren, want John ging/mocht niet mee, liepen we langs het LUMC (snif snif, u weet waarom) en door het station heen richting Steenstraat en Beestenmarkt. Moeilijk was het om te zien hoe vaderlief het stationspoortje trachtte te openen met zijn zorgverzekeringspas. We wisten het, natuurlijk, maar elke keer bij zo’n ‘incident’ raakt het je als een steek in je hart.

Het was een lange wandeling after all, omdat onze ouweheer zich ook steeds moeilijker voortbeweegt. Geen wonder als je al 87 jaar oud bent, maar dat geheel terzijde. Op de Blauwpoortsbrug bij het Kort Galgewater drijft de firma Bootjes en Broodjes hun nering. We scheepten in op een van hun bootjes en vertrokken zonder broodjes direct voor een boat-ride-down-memory-lane. Ons (groot)vader woont al 53 jaar in Leiderdorp, dus zijn geheugen qua Leiden is nog redelijk adequaat te noemen. We passeerden allerlei bekende pleisterplekken, waarbij hij steeds luidkeels te kennen gaf dat hij het herkende. Dat de verdere detaillering in zijn betoog hier en daar wat te wensen overliet rekenden we hem maar niet al te zwaar aan. Na een dik uur vaarjolijt namen we nog even de tijd om bij Vlot Grand Café (bij mij berucht vanwege het smartelijk verlies van een zonnebril) een hapje en een drankje te doen. We konden al met al tevreden terugkijken op alweer een mooie gebeurtenis met onze voorvader. Mijn bundles of joy hadden dit topevenement piekfijn georganiseerd!
Vlak voor het vertrek uit Leiden drukte Jantine mij nog een souvenir uit Noorwegen in de handen: een flink stuk rendiervacht. Prachtig, dat wel, maar ik hoopte vurig dat Elfriede hier eender over zou denken. Met lood in de schoenen reed ik naar huis met het rendierenrestant, maar eenmaal op de stulp beland bleek al mijn vrees overbodig te zijn geweest. Mijn lief ontfermde zich direct over het presentje en zocht en vond er onmiddellijk de verbinding mee. Intussen bedacht ik de enig mogelijke naam voor onze nieuwe aanwinst:
Lapje.

En uiteindelijk, na al deze jolijt, werd het tijd om weer eens serieus te gaan hardlopen. Lianne en ik hadden ons immers ingeschreven voor de 10km CPC eind september en eerlijk gezegd was ik ver verwijderd van de vorm die mij door zo’n afstand heen zou moeten slepen. En misschien gold dat ook wel voor mijn jongste spruit. Snel maakten we plannen. De trainingen zouden weer voortvarend worden opgepakt, te beginnen met de Goudse Runners zaterdagtraining van 10 september, die wij gezamenlijk zouden verhapstukken. Op vrijdagavond was Lianne al in Gouda geland om te acclimatiseren en uiteraard onze logeerkamer te bezetten. Na een bescheiden sportontbijtje togen we in de vroege ochtend naar de skihut in het Groenhovenpark, als vanouds het startpunt van de training op zaterdag. Daar werd de meute door Rob in ganzenpas naar de Otweg gedirigeerd, een lang fietspad aan de overkant van de A12 waar diverse parcoursen konden worden uitgezet. En op de Otweg kregen we, na de gebruikelijke warming-up en de loopscholing, een pittige en uitdagende loopkern van drie kwartier voorgeschoteld. Met zowel een beroep op het duurvermogen als op de sprintkwaliteiten. En mijn dochter en ik, wij brachten het er helemaal niet onverdienstelijk vanaf temidden van al die veel beter getrainde atleten.
Tevreden marcheerde het pelotonnetje terug naar de skihut, waar we nog gezellig klessebessend een aantal kopjes koffie nuttigden. Ja wij Goudse Runners zijn een heel sociaal volkje, dat merkte ook Lianne prompt op. Al even tevreden én voldaan peddelden we weer terug naar huis voor een korte douche, lunch en daarna alwéér een gang, maar nu met de bus, naar het Groenhovenpark. Want Roy zou die middag met het zevende (?) team van DSO een uitwedstrijd voetballen tegen VV Gouda, en daar moesten en zouden we bij zijn. Loom in de dug-out gezeten zagen we DSO een overwinning boeken in een doelpuntrijke wedstrijd. Memorabel was het moment dat één van de tegenstanders het bestond om de bal met een enorme knal de dug-out in te schieten tegen de achterwand, daarmee bijna vader en dochter onthoofdend en op slag doof makend. Ofschoon dat laatste niet zo erg meer is indien dat eerste is gebeurd. Mijn oren bleven nog urenlang tuten na deze brute aanslag. Maar goed: de winst was op zak en daar ging het tenslotte om. Wat resteerde was de sportieve voldoening bij vader, dochter en schoonzoon (in spé).
Stiekem had ik ook een ticket voor mezelf aangeschaft voor de zondageditie van de 10km Goudse Singelloop. Een jubileumuitgave, met een behoorlijk veranderd parcours. Enige jaren geleden was de organisatie in handen van een nieuwe partij gekomen. Die partij had drie jaar lang het traditionele parcours intact gehouden (om te wennen of zo?) maar nu moest het toch echt anders vonden zij. En dus hadden we nu niet meer drie ronden, maar slechts twee á 5km elk, waarbij het tracé vanaf het IJzeren Heinenpark een stuk werd verlengd over de Winterdijk, de H.J. Nederhorststraat langs de BAM, en via de Nieuwe Gouwe OZ en het Crabethpark weer naar het IJzeren Heinenpark. Ik werd al moe als ik er aan dacht: saai, saaier, saaist. Maar goed, in de voorbereiding richting de CPC moest ik deze loop toch maar meepakken.
En dus bond ik voor de tweede achtereenvolgende dag de Sauconietjes onder en begaf mij richting de pythagoreske Goudsche binnenstad. Op de Markt rondom het fraaie stadhuis bevond zich traditiegetrouw het start- en eindpunt van de kweltocht – daaraan was gelukkig niets veranderd. Veel Goudse Runners zag ik niet, behalve dan Nico en Peter die ik er altijd zie. En Annemarie stond trouw in de uitzinnige menigte te kijken of het ons Goudse Runners wel goed zou vergaan. Bless her. Ik had het fraaie oranje jubileumshirt omgegord, heel passend voor een (just kidding) doorgewinterde patriot als ik. En daaronder uiteraard de korte zwarte tights van de firma Asics. Die vloekten wel behoorlijk bij mijn Saucony schoenen maar enfin dat moest dan maar.

Na een ook hier geïntroduceerd onzinnig opwarmspektakel werden we dan eindelijk weggeschoten, de Hoogstraat en de Kleiweg in langs alle winkels die in het orthodox-christelijke Gouda uiteraard gesloten waren. Hoe ze er in Godsvredesnaam in geslaagd zijn om op deze Dag des Heeren een hardloopwedstrijd te mógen organiseren: het is mij een compleet raadsel. Er mag hier namelijk niets op zondag in Gouda. Ja, op de eerste zondag van de maand mogen de winkels open, maar het overgrote gedeelte van de ondernemers doet het uit vrees voor de Grote Goddelijke Afrekening niet. Ook zijn complete terrassen op de Markt gesloten op zondag – eeuwig zonde, of juist niet?
Tijdens mijn doortocht door de Kleiweg richting Kleiwegbrug en Kattensingel werd het mij al gewaar dat ik aan een mission impossible was begonnen. Ik had het veel te warm en mijn longen schreeuwden om er subiet mee te stoppen. Amechtig zwalkte ik via de Crabethstraat richting het IJzeren Heinenpark, maar de geest was al voor het bereiken van dit fraaie park finaal uit mijn fles. Heel even dacht ik aan mijn Long Covid-verdict, en aan Coby, en ik dacht: dit moet ik eigenlijk helemaal niet doen, the way I feel now. Maar ik liet mij aanvankelijk niet kennen. Stoer stampte ik de Winterdijk op voor een lang recht stuk zonder schaduw, moorddadig gewoon. Ik klampte mij vast aan elke paardenstaart die voor mij liep, maar eigenlijk kon ik geen van die bevallige dames volgen. Vol frustratie beende ik langs het BAM-gebouw (bouwbedrijf, red.) en sjokte bij de Christelijke SG de Goudse Waarden de Nieuwe Gouwe OZ op. Mijn longen brandden en mijn benen liepen helemaal vol met het ergste acid wat je maar bedenken kunt. Maar opgeven halverwege het parcours: dat nooit. Never nooit. En zo vloog ik met slakkengang voort langs het Crabethpark de Van Swietenstraat in richting de Kattensingel. Ditmaal stond er geen uitzinnige menigte en waren er geen kinderen die om low-fives vroegen. Dat mocht zeker niet van de dominee vandaag.
Ook werden er geen sponzen uitgedeeld, meestal een redmiddel bij oververhitting tijdens een hardloopbeproeving. En dus worstelde ik gelaten voort, de Kleiwegbrug over, het Regentesseplantsoen in richting de Nieuwehaven en de Vuilsteeg. Ook daar waren ditmaal, in tegenstelling tot gebruikelijk, geen wietrokende en comazuipende fans te ontdekken. Alles waaraan je in de loop van de jaren gewend was geworden: het was er simpelweg niet meer. En dat deed pijn, heel veel pijn. Vooral aan de longen, maar toch ook een beetje aan het hart.
Na nog een barre doortocht door de Naaierstraat en de Korte Groenendaal was daar dan eindelijk de finishboog op de Markt te zien. De eerste ronde was voltooid, maar mijn Singelloop ook. Wijs als ik nou eenmaal ben besloot ik om onmiddelijk de brui aan Maarten te geven – een tweede ronde was ongetwijfeld fataal afgelopen. Vermoeid en onvoldaan liep ik uit over de Kleiweg, waarbij ik er voor zorgde de achterop komende atleten niet in de weg te lopen. Mijn halve Singelloop zat er op, en achteraf zag ik dat ik met 28:30 nog niet eens zó langzaam was geweest over die vijf kilometer. Nou ja, dan toch iets om me aan vast te houden.
Ondanks dat houd ik mijn hart vast voor de CPC, verderop deze maand. Ik ben niet fit, en dat is nog een understatement. Ik wil dolgraag lopen met Lianne daar in Den Haag, maar uiteraard niet ten koste van alles. Maar hoe kan ik mezelf in toom houden, mezelf van haver tot gort kennende? De wil is groot, maar de capaciteit op dit ogenblik niet. En hoe pijnlijk dat ook is: met dat gegeven zal ik het moeten doen. En de vraag is nog maar of het ooit beter zal worden.
Naschrift: ik weet nu na lang nadenken precies waarom het niet zo best ging vandaag. Normaal gesproken prakken mijn lief en ik bij De Pannenkoe een pannenkoekje weg enige uren voordat de loop een aanvang neemt. Nu deden wij dat pas achteraf. En dat had nooit zo gemogen. Mijn buikje had bij het startschot nog nét bezig moeten zijn met het verteren van de zoet-hartige lekkernij. Dan zou ik als de brandweer zijn gegaan. Nu moest datzelfde buikje het op lege maag doen. “Quad erat demonstrandum” zou mijn vader als rechtgeaard gymnasiast zeggen. Hopelijk kan hij dat nog steeds – het is wel iets uit zijn langetermijngeheugen dus het zou zomaar kunnen.

Een puik stukje weer.
Volgend jaar het boekenweekgeschenk?
Ja maar Rolf, dan moet ik mijn darlings killen. En je weet: dat nooit.