Graag wil ik een gedicht plaatsen ter ere van mijn lieve en dappere vader Aldert Willem de Haan, die bijna drie weken geleden, op 15 juli 2025, op negentigjarige leeftijd overleed.
Dit gedicht schreef ik voor hem in december 1994. De familie De Haan vierde elk jaar uitgebreid Sinterklaas, meestal in gehuurde vakantiehuisjes: één voor mijn ouders, één voor het gezin van mijn zuster Eveline, en één voor het gezin van ondergetekende. De volwassenen onder ons trokken lootjes, en dat jaar had ik de eer om iets voor mijn ouweheer te mogen rijmelen. Als cadeau had hij gevraagd om het boek Kampjongen van Ernst Hillen.
We duiken even de geschiedenis in. Op achtjarige leeftijd, in 1943, belandde Aldert met zijn gezin van herkomst in de jappenkampen, zoals dat mijns inziens ten onrechte genoemd wordt. Mijn opa Tjard, die arts-officier was bij de Koninklijke Marine, was daarvoor al tijdens de Slag in de Javazee krijgsgevangen gemaakt en afgevoerd naar het toneel van de Birma Spoorweg waar hij vele verschrikkingen heeft moeten doorstaan. Eerst belandde het gezin, of wat daarvan dus over was, in een kamp in Soerabaja, de plaats waar zij woonden. Later werden zij gedwongen op de trein gezet naar het vrouwenkamp Halmaheira in Semarang. N.B. beide steden lagen en liggen op Java, in het voormalig Nederlandsch Indië, thans Indonesië.
Het was een zeer zware tijd, dat spreekt voor zich. De vrouwen kregen allen een taak in het kamp, en mijn oma Lien werd belast met het onderhoud van de latrines. Met de humor die in het kamp onontbeerlijk was om mentaal te overleven, werd zij gekscherend aangeduid als ‘Hoofd Poepschep’.
Zwaar als het was: het werd allemaal nog erger toen Aldert in de zomer van 1945 op tienjarige leeftijd naar een jongenskamp moest. Dat was hartverscheurend, want het einde van de oorlog leek nog lang niet in zicht, en het was op zijn zachtst gezegd onzeker of de gezinsleden elkaar überhaupt nog levend zouden terugzien.
Als tienjarige jongen vond hij het best wel een spannend avontuur, die gang naar het jongenskamp Bangkong. Hij wilde absoluut niet dat zijn moeder ging huilen bij het vertrek. Een vriendin van oma Lien had, nog vlak voor zijn vertrek, voor haar met houtskool een portretje gemaakt van de jonge, sterk vermagerde Aldert. Het verhaal gaat dat hij in die tijd nog slechts 25 kilo woog.
Sneller dan verwacht eindigde de oorlog, getriggerd door de bombardementen op Hirosjima en Nagasaki. Het was slechts enkele weken na zijn gang naar Bangkong dat hij monter weer kwam teruggewandeld naar zijn moeder, broertje en zusje in Halmaheira. Wat niemand van tevoren wist, is dat het jongenskamp slechts een tweetal kilometers van Halmaheira was verwijderd. Later werd het gezin gecompleteerd toen zij herenigd werden met opa Tjard.
In een andere post zal ik wat uitgebreider ingaan op de levensloop van mijn pappie. Maar dit verhaal geeft voor nu hopelijk voldoende context voor het gedicht dat ik, met verdriet en weemoed maar ook met bewondering, opdraag aan mijn lieve dappere vader, die nu weer bij mijn lieve dappere moeder is.
This one’s for you Pap!

Kampjongen
Zo’n vijftig jaar geleden, in de Gordel van Smaragd
De vijand hield er huis, ofschoon niet onverwacht
Het was al jaren duidelijk: de Jap wou meer gebied
Vergat in zijn expansiedrift ons Insulinde niet
En op het mooie Java, zo prachtig om te zien
Daar woonde het gezin van onze Tjard en Lien
De ‘Zeemacht overzee’, ja daarvoor werkte hij
Als arts hield hij de Jan van vreemde smetten vrij
De anaks van De Haan, al in dit tropenland
Zij groeiden daar als kool, door moeder’s vaste hand
Ons Aldert was de oudste, een jonge ferme knaap
Zijn zusje Annegootje, en zijn broertje heette Jaap
Doch in de oorlogstijd zou het bergafwaarts gaan
Gevangenschap: dat was het lot van onze Pa de Haan
De Jap bouwde een spoor, als brug naar nóg meer macht
Gevangen frontsoldaten dienden als uitzendkracht
De Jap voer ook naar Java, en zette voet aan land
Hij kwam er in Semarang en nam het heft in hand
Vermoordde vele burgers, tot overmaat van ramp
Wie door hem niet geveld werd belandde in het kamp
Zo ook ons jong gezin, dit lot viel hen ten deel
Zo jong als Aldert was deed dit hem waarlijk veel
Zijn vader ver van huis, diens toestand ongewis
Voorwaar voor zo’n jong kind: een smartelijk gemis
Het was een hard bestaan, zo ook voor moeder Lien
Frustraties door haar taak: zij kon geen poep meer zien
En dan haar lieve man, zou hij in leven zijn?
Zou zij hem ooit nog weerzien, de kansen waren klein
En plots was daar de dag, dat tot haar diepe smart
De Jap haar zoontje wegnam, zo onbeschrijflijk hard
Hij kreeg zijn ‘eigen’ kamp, een eindje verderop
Maar hoe ver was dat wel niet, in die kleine kinderkop?
Na vele lange jaren, van kwelling en van pijn
En veel verloren levens, dat moest helaas zo zijn
Bezweek de wrede Jap, onder buitenlandse druk
Kwam het gezin bijeen, tot ongekend geluk
De oorlogstijd in Holland, een bitter hard gelag
Waar menig mens bezweek onder Ariërs-gezag
Maar hoe weinig het benul van de ‘overzeesche hel’
In Indië werd geleden, weet iedereen dat wel?
Nog vele mensen lijden door deze zware klap
De Jap betuigt nu spijt, maar ’t is niet dezelfde Jap
Wie deze hel doorstaan heeft komt daarvan nooit meer los
Gevangenen van toen zijn levenslang de klos
Gelukkig was jij jong, en daardoor sterk van geest
Wie dát niet in zich had, die leed toen nog het meest
Je stond pas aan ’t begin, van een lange levensloop
Er was vast in de wereld nog zoveel goeds te koop
En nu na vijftig jaar, als een gelouterd man
Zie jij hierop terug, omdat je dat ook kan
Het boek dat ik je geven wil, verhaalt van deze tijd
Een jongen uit het kamp moest ook zijn ei eens kwijt
