Zoetermeer. Sweet Lake City. Zoetje. Slaapstad. Betondorp. Het Almere van Den Haag. Het Nieuwegein van Den Haag. Maar eigenlijk is het heel gewoon: Het Zoetermeer van Den Haag. Geen stad, maar een wereld, zouden ze in Parijs zeggen. Ik kende het sinds het begin van de Roaring Seventies – mijn tante Marjolijn (van wie ik nooit tante mocht zeggen, overigens mag dat nog steeds niet) woonde er met Oom Dick. Marjolijn is de jongste zus van mijn moeder, en we zagen elkaar vroeger vaak, want de twee zussen konden het buitengewoon goed met elkaar vinden. En dat had voor een deel te maken met de wat broze gezondheidstoestand van beiden – het schiep een extra band zullen we maar zeggen.
Ze hadden een hond, een Duitse Staander die Thera heette, dus eigenlijk een Duitse Staande. En op Thera waren mijn jongere zusje Eveline en ik dol, temeer daar wij zelf geen huisdier mochten hebben. No way José – wat wij ook probeerden en hoeveel emotionele chantage wij ook op onze ouders loslieten, ze waren niet te vermurwen. In 1973 kregen Marjolijn en Dick een dochter Jolande, en in 1974 een zoon Robin. Later werd Thera vervangen door een vervaarlijke Duitse Vechtherder genaamd Darko. Een naam die ik ook best wel vind passen bij een hond van dat kaliber.
Sweet Lake City was toentertijd een stad in ontwikkeling. Van een tweetal oude dorpskernen (Soetermeer en Seghwaert) groeide het in de zestiger en zeventiger jaren uit tot een heuse nieuwbouwstad waarvan het inwonertal de honderdduizend naderde en vervolgens met gemak oversteeg. Doel van dit alles: Den Haag ontlasten want het liep daar inmiddels de Spui-gaten uit. In al die tijd had ik in Zoetermeer niet zoveel te verhapstukken (bron: Arranraja), behalve dan dat oom- en tantelief daar woonden. Later werd dat anders. In 1987 verkaste ik naar deze bruisende metropool, na een drietal jaren te hebben gewoond aan het Haagse Lorentzplein in het stemmige Laakkwartier. Zeg maar gerust de goudkust, het Wassenaar van Den Haag, maar dan net even anders.
Ik werd in Zoetermeer tewerkgesteld bij het Rekencentrum Nederlandse Groothandel, een organisatie die software ontwikkelde voor, en leverde aan, groothandelsbedrijven. Ik kwam terecht in een commerciële functie, want het leek mij machtig interessant om dat eens uit te proberen. Ik volgde maandenlang zeer intensieve verkooptrainingen bij IBM aan het Gildenkwartier in Utrecht, en werd daarna als jeugdige sales executive losgelaten op de diverse groothandelsbranches. De Head Quarters van het RNG bevonden zich op een steenworpje afstand van mijn nieuwe woonstulp. Of eigenlijk andersom. En toch presteerde ik het dagelijks om zo ongeveer als laatste op kantoor te verschijnen. Later, veel later, leerde ik dat dat een heel normaal verschijnsel is – geloof me, er zijn zelfs wetenschappelijke studies aan gewijd.

Dat nieuwe stulpje was gelegen op de achtste verdieping van een torenflat van maar liefst twintig verdiepingen met de welluidende, maar in deze tijd wellicht ietwat dubieuze naam De Blankaard. Een ideale plek om ter versteviging van de conditie van tijd tot tijd alle trappen op te rennen, tot helemaal bovenin. En het leuke was: mijn oude studievriendin Inge woonde er samen met mijn oude studievriend Robert-Jan, op de dertiende verdieping. Een mooie entree voor mij dus. Een half jaar woonde ik er alleen, maar op een grauwe vrijdag, eind april 1988, voegde Jacqueline zich vanuit Terneuzen bij mij. Rolf en ik haalden haar en haar inboedel op uit Zeeuws-Vlaanderen, maar voordat we daar arriveerden vonden hij en ik dat we even Antwerpen aan moesten doen. Voor koffie en een broodje bij de Panos, U kent dat wel. Het kostte wel even wat moeite om het door mij gehuurde Achilles-busje (zeg maar gerust: Achilles-bus, wat een bakbeest) in de drukke stad weg te zetten. Uiteindelijk vonden we een piepkleine parkeergarage met steil oplopende hellingbanen die ook nog eens nauw waren en in een scherpe bocht liepen. En uiteraard was er pas na drie verdiepingen klimmen een plekje te vinden waar we het vehikel konden stallen. Bij de Panos kon ik gelukkig op het toilet het zweet der inspanning uit mijn hemdje wringen. Terug naar beneden in de parkeergarage ging een stuk makkelijker kan ik U mededelen.
En zo stonden dus sinds die gewraakte dag Jacqueline’s oranje en mijn blauwe Ford Escort gebroederlijk naast elkaar op de parkeerplaats van De Blankaard. Ons flatgebouw was gelegen aan de Dunantstraat in de wijk Driemanspolder. In mei 1989 trouwden Jacqueline en ik in Terneuzen met receptie en diner in Baarle-Nassau – en daarbij mocht Rolf mijn getuige zijn. Overigens: vijf jaar later mocht ik ditzelfde voor hem doen in Finland, waar hij met Pirjo in het huwelijk trad. Maar daarover, en over Rolf, wellicht in een ander kletspraatje wat meer. Nog een beetje geduld hebben, amice. Onze huwelijksreis bracht Jacqueline en mij in Egypte, waar een avontuurlijke rondreis langs de Nijl werd gevolgd door een zo mogelijk nog avontuurlijkere rondreis door de Sinaï-woestenij.
Het leven was eenvoudig maar goed daar in De Blankaard. We deden onze boodschapjes in winkelcentrum Vijverhoek, dat waarschijnlijk zo heette doordat de winkels in hoekopstelling langs een vijver waren gedrapeerd. Meer dan eens dineerden we daar in Indonesisch restaurant Sari, waar ze een onwaarschijnlijk lekkere nasi rames serveerden. Bijna net zo goed als die van mijn lieve moeder. We raakten bevriend met buurman Fred, die zich in het dagelijks leven met ingewikkelde belastingkwesties bezighield, maar in zijn vrije tijd behoorlijk daarvan loskwam zullen we maar zeggen. In de (warme!) zomer rookten we sigaren op het balkon, in het krokodillenbadje dat ik speciaal daarvoor had aangeschaft. Dit tot immense vreugde van Jacqueline, de ziel. We squashten samen op leven en dood in de sporthal aan de Saloméschouw, waarna we – gezeten aan een amberbiertje of twee – de wereld verbeterden en spectaculaire ontvoeringen (waaronder die van de kroonprins) en detail uitdachten. Goed dat het nooit tot de uitvoering ervan is gekomen. We dronken samen de regelmatig in Baarle-Nassau aangekochte en meegebrachte speciaalbiertjes, en zongen dan onze kelen schor op de muziek die wij leuk vonden. En we bleven de wereld maar verbeteren. Meestal waren die festijnen bij hem thuis, maar dan wel zodanig luid dat Jacqueline midden in de nacht een keer bijna de politie had gebeld vanwege het burengerucht. We hebben hem zelfs nog een tijdje in huis genomen toen hij in afwachting was van de oplevering van zijn nieuwe woning in Wychen. Dit tegen een klein bedragje voor kost en inwoning. Tja en toen werd er dus bij ons uitbundig feestgevierd. Tot immense vreugde van Jacqueline, de ziel.
Ook gingen we met Fred in oktober 1989 naar Parijs – een trip waarbij ook Adri, die wij een jaar tevoren in Albufeira hadden ontmoet, van de partij was. Het begon met een rijk besprenkelde ‘voorbespreking’ bij restaurant Los Muchachos in het Stadshart, waar de Rib Mutton Chop van uitmuntende klasse was. Vervolgens gingen wij een week later op een mooie vrijdag met de touringcar van De Harde’s Tours vanuit Den Haag via Handwerpen naar de Lichtstad. Lekker goedkoop. Het was een beproefd procedé: al enige malen met Jacqueline had ik dat snoepreisje ondernomen. En zelfs een keer met Rolf (in één hotelbed nota bene!), als dank voor de hulp bij de gememoreerde Grote Verhuizing in 1988. Het principe was telkens eenvoudig: (1) geen enkele stadstrip boeken zoals alle andere busgangers en -gangsters, (2) in Parijs aangekomen als een speer de Paris Visite metrokaartjes ritselen, en (3) gáán. Voornamelijk betrof dit de gang naar de George Killian’s Tavern aan het Carrefour de l’Odeon voor het robijnrode George Killian’s biertje. Vervolgens naar Roger La Grenouille voor kikkerbilletjes en krokant gebakken zwezerik. Dan weer terug naar de taverne voor de na- en afdronk zullen we maar zeggen. Zo was het ook nu. Ditmaal streken Jacqueline, Adri, Fred en ik neer in een scharrebakkig hotelletje in Montmartre – althans: we werden er gedumpt door De Harde’s Tours – en werkten wij in twee dagen een programma voor een hele week af.

Maar de mooiste anekdote is toch die van Fred’s memorabele parkeerovertreding. Op een kwade dag had hij zijn auto geparkeerd ergens in Scheveningen – God mag weten wat hij daar moest doen. Toen hij netjes het parkeergeld wilde betalen weigerde de dienstdoende parkeerautomaat elke dienst. Hij liet het er toen maar bij – en dat had ie nou net niet moeten doen. Een gepeperde boete viel hem ten deel. Toch liet hij het er niet bij zitten. Tijdens een mogelijk iets te besprenkeld avondje besloten wij (nou ja: hij) dat hij zijn zaak voor zou laten komen. Uiteraard wetend dat het een kansloze missie zou zijn. We besloten er een gezellig dagje uit van te maken, waarbij ik als zijn ‘advocaat’ zou fungeren. In onze mooiste kostuums togen wij in Fred’s Alfa Romeo naar Den Haag, naar het Paleis van Justitie, om te kijken of we er nog iets uit konden peuren of dat we de rechter konden vermurwen. Er werd wel wat vreemd opgekeken toen wij onze entree maakten in de rechtszaal. Maar dat bracht ons niet uit ons evenwicht. We probeerden alles wat we konden, trokken alles uit de kast zogezegd. Tevergeefs, dat wel.
Arranraja (die ik overigens in dit stadium van de zaak nog niet eens ken) zou ongetwijfeld over dit alles het volgende zeggen: “Jongens waren ze – maar aardige jongens” (bron, en vrij naar: Nescio). En gelijk heeft hij: een jongen was ik, maar wel eentje van 28 jaar. En kind ben ik altijd gebleven.
Enfin, genoeg gebazeld over onvolwassen gedrag. Over nu naar de wat volwassener zaken. Inmiddels had ik mijn studie Hogere Informatica aan de Haagse Hogeschool met succes voltooid zoals dat heet. Ik werkte bijna twee jaar bij het Centraal Inkoopbureau (CIB) van de VNG, gevestigd aan de Wiltonstraat, later Platinastraat. Afgezien van het werk genoot ik van de leuke bedrijfsuitstapjes, waaronder de jaarlijkse kanotocht over de Lesse tussen Houyet en Anseremme. Maar ook was er in mei 1991 het lange jubileumweekend naar Arcen (Hertog Jan-brouwerij!), naar Kasteel Vaals in Zuid-Limburg en naar Thorn voor de asperges. Na die tijd was ik in 1992 gaan werken voor het Hoogheemraadschap van Rijnland in Leiden. Tussen alle bedrijven door was Jacqueline tijdens de broeierige zomer van 1992 in blijde verwachting geraakt, dit met enige medewerking van mij.
Om wat groter te gaan wonen verhuisden wij eind 1992 naar een knusse eengezinswoning in Seghwaert. Dat pandje was gelegen aan de Parkdreef om precies te zijn. In april 1993 werd – tot vreugde van haar ouders – Jantine geboren, en in november 1996 kwam Lianne het gezinnetje versterken en verblijden. Jantine kwam in het Lange Land ziekenhuis ter wereld, Lianne thuis – we konden het ziekenhuis niet meer redden toen. Over het leven van mijn dochters, en mijn al dan niet bescheiden rol daarin, zal ik ooit nog eens een apart verhaal wijden. Het is namelijk veel te veel en soms ook wat te zwaar voor dit kletspraatje, dat – we zouden het bijna vergeten – uiteindelijk over een hardloopwedstrijd in 2012 zal gaan. Maar voor nu maak ik mij er van af door te zeggen dat zij zich hebben ontwikkeld tot de grootste bundles of joy in my life. Of beter gezegd: dat zijn ze vanaf hun prille begin al.

Het leventje zo met zijn drieën, en later vieren, was goed daar aan de Parkdreef. Achter ons huis liep het Sprintertracé, waarover ik dagelijks naar station Centrum West kon treinen en daar de bus kon pakken richting de burelen van Rijnland in Leiden. Er was een alleraardigst winkelcentrumpje, genaamd Leidsewallen, waar de Spar-supermarkt altijd goed gevuld was en er ook veel andere faciliteiten waren zoals Chinees-Indisch Restaurant Asia voor een lekker Oost-aziatisch Prakje, en cafetaria Coret voor de wat minder verfijnde snack. Er was een fysiotherapie-praktijk, waar ik mij in 2002 moest laten behandelen voor een gebroken pink (bleek later), opgelopen tijdens het volleybaltoernooi van Gemeente Gouda. Je kon je strippenkaarten kopen bij de plaatselijke Bruna (later Read Shop) onder het spoor en er was een voortreffelijke kaas- en notenhandel voorhanden waar je volgens mij ook een lekker flesje Veuve Amiot kon aanschaffen. En het smakelijkste brood en gebakjes? Die kwamen van bakker Jongerius – of was het Ammerlaan? Hmmm, geheugendingetje.
En als we het toch over culinaire geneugten hebben: er waren diverse plekken in Zoetermeer waar we een lekker vorkje konden prikken. En dat deden we dan ook met graagte. Uiteraard – dat heb je met kleine kinderen zoals ook ikzelf – was er de Mac in het Stadshart voor de Happy Meals met daarbij altijd een flauwekulspeelgoedje cadeau. Deze Mac was zelfs voorzien van een heuse glijbaan, dus daar waren de meisjes behoorlijk kien op. Er was Ristorante Pizzeria Romagna in hetzelfde Stadshart, met als absolute topper de Garnalen in Brandysaus. Zelfs nu, anno 2012, staat het nog op de menukaart, een kaart die naar mijn weten sinds mijn entree in Zoetermeer (1987) geen spatader veranderd is. En dat zal tot in den Eeuwigheid Amen ook nooit gebeuren. Verderop in de stad hadden we nog Grieks Restaurant Parthenon aan de Dorpsstraat – tegenover de Hervormde kerk – voor af en toe een onontbeerlijke Mixed Grill. En uiteraard was er Genova. Het restaurant waarin eigenaar Salvatore Darretta telkens speciaal voor ons een ‘menu du chef’ samenstelde en voor ons opdiende. Na afloop kwam hij altijd even bij ons zitten voor een praatje pot. Ik bewaar daar mooie herinneringen aan. Hij draaide ook altijd vreselijk goede Italiaanse muziek, en menigmaal mocht ik CD’s mee naar huis nemen om illegaal te kopiëren met behulp van mijn externe CD-brander. Salvatore wist toch wel dat we zouden terugkomen.

Toen Jantine twee jaar was ging ze voor een paar daagjes per week naar Kinderdagverblijf De Drie Ballonnen. Na wat aanvangsproblemen had ze haar draai toch redelijk snel gevonden. Zolang haar blauw-wit-gele beertje, haar zakdoekje en haar speentje ’s-ochtends maar mee waren was de kans redelijk groot dat ze er een goede dag ging beleven. Later brachten we ook Lianne er naar toe, voor wie het wat makkelijker was om te wennen. Ik werd in 1996 lid van de ouderraad, en bleef dat totdat wij in 1998 verhuisden naar de Sullivanlijn in Noordhove. Maar een adviesfunctie behelste het overigens niet: directrice Sylvia deed toch altijd wat ze zelf wilde en trok zich nooit wat van onze feedback aan. Wel waren we goed genoeg voor het organiseren van – en meehelpen met – evenementen. Speciaal herinner ik mij de bruisende Multi-Culturele Dag, waarvoor ik het lekkerste bananenbrood had gebakken en meegenomen dat men daar ooit gegeten had. Maar voor de rest had ik daar dus als ouderraadslid weinig tot niets in de melk te brokken gehad. Onze twee meisjes hadden het evenwel goed bij De Drie Ballonnen – ook dat moet gezegd worden.
Met vier jaar ging Jantine naar de basisschool, de Grote School zoals wij dat vroeger noemden. Eerst naar de Christelijke Willem de Zwijgerschool, waar na enige tijd bleek dat ze haar onvoldoende konden bieden op cognitief gebied. Een oplossing hiervoor werd gevonden bij de Montessorischool Mr Verwers, waar zij wel tot volledige wasdom kon komen. Later zouden wij Lianne ook meteen bij die school onderbrengen. Anekdote: vlak voor Kerst 2002 mocht ik op school opdraven als Kerstman, een wisselrol dat wel, zodat ik niet de hele dag de sjaak hoefde te zijn. Ik had de avondshift, en mijn voorganger had volgens mij net een behoorlijk kruidige Mexicaanse stinkschotel genuttigd. Die hele deelbaard stonk daardoor uren in de wind, terwijl ik ‘m urenlang voor mijn bakkes moest gaan dragen. Omdat het ook in het pak ontzettend warm was beleefde ik een op z’n zachtst gezegd oncomfortabele avond. Temeer daar er massa’s kindertjes zo nodig op mijn schoot moesten zitten. Voor de foto welteverstaan. Gelukkig waren er mijn twee helpertjes-in kerstpakjes, waaronder Jantine, die mij er mentaal doorheen sleepten. Helaas (of misschien wel: gelukkig) zijn van dit bruisende festijn alle beelden verloren gegaan. Een aardigheidje was wel dat ik na afloop, naast een warme hartstochtelijke dankbare knuffel van juf Andrea die mij gevraagd had deze rol te vervullen, ook nog bij de kerst-sweepstake een mooie Timberland-jas wist te winnen. Een jas die ook vandaag nog in mijn bezit is, en die met ongepaste trots wordt gedragen. Weer later bevolkten de dames het Alfrink College (Lianne eerst het Erasmus College). And as I write this is Jantine aan het studeren in Groningen, en is Lianne anderhalf jaar verwijderd van haar eindexamen Havo.

Ik schreef het al: in de zomer van 1998 verkasten wij naar Noordhove. We hadden daar een mooi stulpje gekocht aan de Sullivanlijn, groot genoeg voor ons vieren. In de voortuin stond een grote mooie conifeer. Het huis lag aan een mooi park, het Aldo van Eyckpark, compleet met rosarium. En ook dichtbij was de Noord Aa-plas, een meer dat groot genoeg was om er regelmatig lekker omheen te hardlopen. En dat deed ik dan ook graag en frequent. Ook was er het rondje om Seghwaert heen, onder andere over het Kangoeroepad vlak naast – hoe kan het ook anders – de Australiëweg. Een rondje dat ik diverse malen liep met Jantine op haar fietsje naast mij. Ik vroeg haar dan altijd om net achter mij te fietsen en om mij aan te moedigen als ik het lastig kreeg. En dat laatste gebeurde wel eens, want het was weliswaar een rondje van 6 kilometer, maar ik liep ‘m altijd met een behoorlijke rotvaart van boven de 12 kilometer per uur.
Ook op cognitief en intellectueel gebied verhapstukte ik het nodige in mijn jaren op de Sullivanlijn. In de jaren 1998-2000 pakte ik, gesponsord door mijn werkgever Rijnland, een tweejarige Post-HBOstudie Bedrijfskunde op. Wederom aan de Haagse Hogeschool, een thuiswedstrijd dus eigenlijk. Dankzij vele blikjes Red Bull (wist ik veel), mijn eigen commitment en vooral dat van mijn gezinnetje wist ik deze klus voorspoedig en zelfs cum laude af te ronden. Ik ben de dames er nog altijd dankbaar voor, en deze dankbetuiging is ook te vinden in het voorwoord van mijn afstudeerscriptie.

Ook de tijd op de Sullivanlijn was een mooie tijd. Jacqueline had, naast haar werk, een mooie weekendhobby als speel-o-thecaresse aan de nabijgelegen Konijnenweide. Later werd ze zelfs voorzitter van Speel-o-Theek Toy Toy. En ik ondernam in de weekeinden heel veel met de meisjes: allemaal mooie dagtrips waarover ik in een ander verhaal nog veel meer zal vertellen – dat beloof ik. Toch was het niet allemaal pais en vree in deze periode. Mijn gezondheid (astma-klachten) liet regelmatig te wensen over, het werk verliep af en toe moeizaam door een verschuiving in mijn ambities, en wat nog erger was: de relatie tussen Jacqueline en mij begon heel langzaam, maar ook heel zeker, uit te doven. Naar mijn gevoel ontstond er meer en meer een soort van broer-zusrelatie, die weliswaar garant stond voor de broodnodige rust en geborgenheid, maar die uiteraard geen hartstocht en spanning meer kende. We bleven met name voor de kinderen nog lang bij elkaar, maar in 2003 was en werd alles duidelijk en verliet ik ons zo stabiele gezinnetje. Met heel veel pijn in mijn hart, dat wel. Mogelijk schrijf ik ook hier ooit nog wat uitgebreider over, maar dat zal hoogstwaarschijnlijk niet op dit openbare platform zijn. Het is namelijk best wel heftig, en ook verdrietig, wat er allemaal gebeurde in die tijd.
En nu zijn we opeens aanbeland in 2012, september 2012 om precies te zijn. Ergens was het in mijn leven wel rustig geworden, vooral na de ongelooflijk turbulente periode met Sue tussen 2003 en 2012. Een rare situatie was er in het begin van het jaar: Sue had mij in oktober 2011 al verlaten richting Wales, maar schnauzer Rosie moest nog een half jaartje bij mij in Nederland blijven. Iets met quarantaine was dat – en dat konden we het arme dier niet aandoen. En dus was Rosie tot en met maart van dit jaar mijn compagnon en huisgenoot. Een soort van overblijfsel uit de roerige periode waarin het Sue en mij voor de derde achtereenvolgende maal niet gelukt was om onze relatie te bestendigen en te stabiliseren. En daarom was haar vertrek nu voorgoed – dat wisten we.

Naast de stapjes die ik maakte om Rosie uit te laten, begon ik ook de nodige hardloopstapjes te maken op weg naar een betere conditie en mogelijk ook weer de nodige wedstrijdloopjes. Dat zat immers in mijn bloed, en wat in mijn bloed zit moet er op een gegeven moment toch uit, nietwaar? Heel langzaam aan, vanaf december 2011, bouwde ik het aantal kilometers op. Even kwam er nog een kink in de kabel door een gigantische enkelverzwikking doordat ik in het donker door de sneeuw was gaan lopen. En dat kun je beter niet doen, zeker als je zo nachtblind bent als ik. Maar toen mijn arme enkel eenmaal hersteld was gooide ik al mijn remmen los. In maart, vlak voor het vertrek van Rosie, liep ik met een noodvaart het parcours van de 10km Reeuwijkse Plassenloop, en bij die gelegenheid maakte zich een enorme geestdrift van mij meester. Want wat liep het lekker, en hoe groot was het verlangen om na al die jaren weer helemaal ‘back on track’ te komen.
Natuurlijk had ik in de afgelopen jaren wel meer hardgelopen, maar meestal stokten de ambities na verloop van tijd. Ooit in 2003, in the dying days of my marriage, was ik gaan lopen bij de Roadrunners Zoetermeer (RRZ), dit ter afleiding van de moeilijke situatie. Na een aarzelend begin in Groep 4 werd ik steeds enthousiaster en waren de prestaties ook navenant. Het stond garant voor vele mooie duurlooptrainingen in het Buytenpark en de Zoetermeerse Meerpolder bij Geitenboerderij Het Geertje, tempoloopjes rondom de Noord Aa, en een aantal fartleks in het Rottemerengebied. Zelfs togen we een keer naar De Zilk voor een stevige duurlooptraining door de Waterleidingduinen.
Op Koninginnedag 2003 raffelde ik in Leiderdorp de 10km prestatieloop af in 46:37, voorwaar helemaal niet slecht al zeg ik het zelf. En op 8 juni, Eerste Pinksterdag, liep ik mijn eerste halve marathon in Leiden. En daar kwam ik zowaar op een alleszins acceptabele debuuttijd van 1:54:08 uit. En niet veel later, op 2 juli, ramde ik er een fenomenale 1:11:35 uit tijdens de 15km Midzomeravondloop in Bleiswijk. Eigenlijk snapte ik helemaal niet hoe ik dat onder deze moeilijke omstandigheden kon presteren – een vraag die voor mij tot op deze dag onbeantwoord is gebleven. Na mijn vertrek uit Zoetermeer in september 2003, weg van mijn gezinnetje, kwam er natuurlijk de klad in – veel te veel aan het hoofd in die tijd. Ook een korte comeback in 2005 bij RRZ strandde na een aantal maanden. En in 2006 had ik nog een heel korte hardloop-opleving, onder andere verzilverd door een 26:15 bij de 5km 3Plassenloop in Zoetermeer. Dat was even weer een terugkeer naar de oude vertrouwde Zoetermeerse hardloopgronden.
Maar goed, nu was ik dus anno 2012 in Gouda weer lekker op weg, op de Sauconies die ik al in 2007 in Leiden had aangeschaft, maar die al die jaren in de kast waren blijven liggen. 10km werd 12.5km, een afstand door het Reeuwijkse Plassengebied die ik veelvuldig, en met hoge snelheid, liep. Met de start bij mijn voordeur aan de Kongsbergstraat en de finish aan de Bodegraafse Straatweg door daar een brievenbus aan te tikken en vervolgens relaxed naar huis te wandelen.
Dat ging allemaal heel voorspoedig dus, en ik breidde de afstanden langzaam maar zeker uit. En zo was het dus eigenlijk niet heel vreemd dat ik het in de zomer in mijn bevallige hoofd haalde om de 21.1 Geuzenloop in – jawel – Zoetermeer te gaan verhapstukken. Mijn tweede halve dus na het debuut in Leiden, en ik was heel benieuwd hoe dat uit zou gaan pakken. Ik had Jantine gemobiliseerd om mij te supporteren, oftewel te coachen zoals we dat beiden noemen. Met haar had ik de afspraak gemaakt elkaar vooraf in het Centrum voor Kunst en Cultuur (CKC) te treffen. Dan kon ik haar na het omkleden mijn tas met waardevolle spullen geven, temeer daar er geen kluisjes voorhanden zijn in de kunst- en cultuurtempel.

En toen werd het 30 september. Vol enthousiasme en loopdrift sprong ik bij het krieken van de haan het warme Goudse mandje uit. Er ging vandaag worden hardgelopen, en hoe! Het zou vandaag zonnig zijn, niet te warm en niet te koud, en er zou een matige bries over het parcours waaien. Snel vervaardigde en nuttigde ik mijn Brinta-sportontbijt en spoelde de vieze smaak ervan weg met twee koppen afgewerkte Euroshopper-motorolie met een wolkje melk om het een wat vriendelijker kleurtje te geven. Ik pakte mijn groene Karrimor-sporttasje in, deed mijn dasje recht, mijn jasje recht, en vader ging op stap. De sprinter deed er een kwartiertje over om vanaf het feeërieke Hauptbahnhof Gouda naar Zoetermeer Oost te geraken. Het stationnetje waar ik Lianne al talloze malen had gehaald voor een weekendje bij mij, en haar op zondagavond telkens weer bij haar moeder had afgeleverd.
Langs de Nutricia-fabriek marcheerde ik over de Eerste Stationsstraat richting het start- en finishgebied rondom de Dorpsstraat. Ter hoogte van de Nutricia keek ik nog even verder naar rechts of ik de Penitentiaire Inrichting kon ontwaren. In 1993 werd deze gevangenis geopend, en in het proces daarnaartoe waren Zoetermeerders via een herderlijk schrijven gevraagd een aantal dagen tegen vergoeding te komen proefzitten. Dit om alle procedures te testen, maar uiteraard ook al het materiaal en materieel en verdere toebehoren. Graag was ik op dat niet te versmaden aanbod ingegaan, zij het dat Jacqueline mij dit ten strengste verbood. En eigenlijk begreep ik dat ook wel: haar zwangerschap, gecombineerd met de verhuizing naar de Parkdreef, maakten dat ik thuis onmisbaarder was dan daar in de bajes.
Hoe dan ook: het was jammer, heel jammer destijds. Met nog een licht gevoel van teleurstelling-met-terugwerkende-kracht liep ik door, en arriveerde uiteindelijk tegen elven bij het CKC. Van Jantine had ik tijdens de treinreis een appje ontvangen waarin ze meldde dat ze wat ziekjes was en zeker niet zo vroeg ter plekke zou zijn. Dat leverde wel een klein probleempje op: hoe kon ik mijn waardevolle assets zo goed mogelijk stallen in het CKC opdat ze niet gestolen zouden worden? Ik veroverde mijn startnummer en chip, kleedde me fluks om en bracht eerst maar even een kop koffie en een gevulde koek in om niet te flauw te worden. Daarna stopte ik mijn tas met toebehoren zo diep mogelijk weg in de coulissen van het theater. Knappe jongen die dit zou ontdekken! Ik leerde wel van organisatiewege dat het CKC al om 15:00 zou sluiten, dus als ik te laat zou zijn kon ik naar mijn spullen fluiten. Dat gaf dus nog een extra stressje: na een start om 12:30 zou ik dus niet al teveel kunnen verliezen op een schema van twee uur, anders zou ik in mijn doorweekte wedstrijdplunje naar huis toe moeten zonder portemonnee, OV-chipkaart en telefoon. Hardloophaast was geboden dus.
In het startvak op de Dorpsstraat maakte ik – na wat keuvelpraatjes met oud RRZ-collega’s – even een assessment van mijn conditionele toestand. Ik voelde me waarlijk niet slecht in deze ogenblikken zo vlak voor de start. Twee weken geleden had ik voor het eerst sinds tijden weer als training de halve marathonafstand gelopen in het Reeuwijkse Plassengebied, een prima ervaring die afgelopen week gevolgd werd door een wat minder goede ervaring tijdens een duurloop over 9 kilometer. Maar een slechte generale zou hopelijk vertaald kunnen worden naar een goede uitvoering op deze Geuzendag. Ik voelde ook dat ik de juiste kleding had omgegord: in een wit RRZ-shirtje met korte mouwen en korte zwarte tights zou ik het warm genoeg hebben. Terwijl ik daar nog wat over aan het filosferen was klonk opeens het startschot en kwam de meute pardoes in beweging.

In een groepje RRZ-veteranen liep ik de eerste honderden meters over de Eerste Stationsstraat richting station Zoetermeer Oost – dezelfde weg dus die ik heen was gelopen. Na het oversteken van de Oranjelaan wierp ik mijn hoofd naar links en zag ik de plek waar ik ruim 21 jaar geleden op een verschrikkelijke manier van mijn sportfietsje was gevallen. Ik was onderweg van De Blankaard naar het CIB in de Wiltonstraat, ik had de nodige haast en had tot overmaat van ramp een linnen tas met wat papierwerk in mijn rechterhand bungelen terwijl mijn linkerhand het stuur stevig vasthield. En U raadt het al: ineens kwam dat tasje tussen de spaken terecht en werd ik gekatapulteerd als ware ik een circusartiest. De fiets stond in één keer stil, maar ik niet. Ik maakte een salto mortale door de lucht en belandde met een rotklap op het wegdek op mijn linkerschouder en linkeroor. Amper doorhebbend wat er aan de hand was krabbelde ik moeizaam overeind, en zag dat mijn fietsje total loss was. Mijn eigen toestand kon ik eigenlijk nog niet eens goed inschatten; waarschijnlijk kwam dat door de overdosis adrenaline die door mijn aderen spoot.
Een bewoonster van de Eerste Stationsstraat ving mij op, en ik mocht in haar huis heel even op verhaal komen. Van deze plek nogmaals mijn hartelijke dank daarvoor. Daarna waggelde ik met mijn fietswrak terug naar huis, belde daar mijn vader op en liet mij enige tijd later door hem naar de dokter vervoeren. Dokter J.A.M. Ton (alias De Snor) is nu nog steeds mijn huisarts terwijl ik al jaren in Gouda woon. Zijn diagnose luidde destijds: gescheurde schouderbanden, een barst in de schouder en een gescalpeerd linkeroor. Het gehoororgaan kon godzijdank nog gehecht worden, anders was ik nog verder van huis geweest. De schouderpartij moest maar met rust genezen. Laat ik ter afsluiting van deze smartelijke anekdote zeggen dat het mij een aantal zeer pijnlijke weken kostte alvorens ik weer enigszins de oude was. Een wijze les was weer geleerd zullen we maar zeggen.
Pijnlijke herinneringen zijn het – ik voel het nu ik dit opschrijf opnieuw, als een soort fantoompijn maar dan anders. Maar nu gauw weer terug naar de wedstrijd. Ik passeerde Chinees restaurant Lin Wah, en met een glimlach dacht ik terug aan de vele malen dat wij in het magazijn van het CIB gingen overwerken, en dat we dan daaraan voorafgaand óf bij die Chinees gingen schransen óf er enorme hoeveelheden voer vandaan haalden om in ons magazijn weg te bunkeren. En een lol dat we hadden tijdens die avonden, fenomenaal. Mooie herinneringen aan een mooie tijd die niet meer terugkomt.

Intussen was er een mooi hardloopritme ontstaan in het groepje, waar iedereen zijn kopwerk deed en waarbij we elkaar informeerden over alle obstakels die we zouden tegenkomen. We onderschreden de A12 en het spoor en liepen nu aan de zuidkant van Zoetermeer. De Eerste Stationsstraat ging over in de Tweede, en die weer in de Derde. En zo bereikten wij de watertoren bij de Juweellaan en zetten wij koers richting het voormalige Floriadepark en het Balijbos. Toch voelde ik mij niet al te senang: de benen liepen eigenlijk iets te snel vol en ook het ademen verliep niet soepel. Eigenlijk was ik op dat moment al veel te veel met mezelf bezig, terwijl het allemaal automatisch zou moeten gaan. Het tempo lag nog wel steeds hoog: er werd gemiddeld om en nabij de 5:30 gelopen per kilometer, een mooi tempo maar ik was er niet zeker van of ik dat wel zou kunnen volhouden.
Na ongeveer 5 kilometer werd de vrees bewaarheid: ik moest de groep laten gaan ter hoogte van de 15 triomfbogen nabij de Floraplas. Mijn vroegere loopmaten schoven steeds verder van mij weg. En daar bekroop mij ineens het welbekende Remi-gevoel: nu moest ik het zelf gaan rooien. Of toch niet? Juist op dat moment passeerde mij een tamelijk rijzige vrouw (netjes geformuleerd toch?) zonder paardenstaart, en zij keek mij aan alsof ze wilde zeggen: het is goed jongen, treed maar gauw in mijn kielzog en alles komt op zijn pootjes terecht. Dat liet ik mij geen twee keer smaken, en met hernieuwde moed deed ik voort in haar haast moederlijke gezelschap. We passeerden Stadsboerderij De Balijhoeve, waar Lianne en ik menig maandagnamiddag hadden doorgebracht. De maandag was mijn vaste roostervrije dag, en we moesten om 17:00 uur Jantine pas ophalen die gymles gaf in een nabijgelegen sportzaal. Dat was bij de christelijke gymvereniging CGV, waar ze beiden jarenlang lid zijn geweest. Het zal zo om en nabij de eeuwwisseling zijn geweest, die bezoekjes aan de stadsboerderij.
Na de Balijhoeve doken mijn beschermvrouwe en ik het Balijbos in en zetten wij koers richting het westen. Na een kleine kilometer bereikten wij het kassengebied van Pijnacker/Nootdorp. Daar sloegen wij rechtsaf om langs de (paprika)kassen richting A12 te snellen. Regelmatig keek mijn gezelschapsdame mij aan als wilde zij mij eens goed monsteren. Waarschijnlijk zal ze toen al hebben gezien dat ook dit tempo voor mij iets teveel van het goede was. Of van het kwade zo U wilt. Maar ik gaf niet op, en lange tijd bleef ik achter haar aanbuffelen langs de A12 in oostelijke richting, terug naar Zoetermeer. Af en toe kreeg ik een bemoedigend, haast grootmoederlijk knikje van haar.

Terug bij de ingang van het Balijbos wachtte ons een nieuwe verschrikking: de fietsers- en voetgangersbrug over de A12 in noordelijke richting. Een brug die middels een haarspeldtracé moest worden beklommen en afgedaald – zo hoog torende dat kreng boven de snelweg uit. Tijdens die Aufsteig verloor ik het contact met mijn gelegenheidshazin: ze was gewoonweg te snel voor mij. Meer dood dan levend bereikte ik de top van de klim, stak de drukke snelweg over en stortte mij omlaag. Met een mooie draai kwamen we weer langs de snelweg te lopen in oostelijke richting. Ik sjokte langs het FME-gebouw, waar mijn vader nog korte tijd had gewerkt als secretaris van de SKNDO, de Stichting Kwalificatie Niet Destructief Onderzoekers. Dat wil zeggen: mensen die onder andere buizen en leidingen inspecteerden, soms ondergronds, zonder ze kapot te maken. Dat was een baan die hij in 1987 had aangenomen na zijn pensionering in 1985 bij de Marine. Eerst had hij iets verderop gewerkt aan het Bredewater, maar begin 1992 verkaste de SKNDO naar het gloednieuwe FME-gebouw. En begin 1993 kapte hij er definitief mee. Ik liep voorbij station Driemanspolder en kwam langs het Hopman-gebouw aan het Kinderen van Versteegplein, waar ik zelf in 1988 en 1989 gewerkt had voor het Rekencentrum Nederlandse Groothandel. De in Zoetermeer roemruchte makelaar Tijmen Hopman was naar dit markante gebouw vernoemd.
Teruggekomen bij station Zoetermeer Oost wachtte mij nog een ronde door Rokkeveen richting de Balijhoeve, de haarspeldbrug en weer terug. De geest was inmiddels aardig uit mijn fles geraakt en tot overmaat van ramp waren mijn immers uiterst gevoelige nipples door het schuren met het shirt gaan bloeden, waardoor het op het witte hardloophemdje inmiddels net leek alsof ik op borsthoogte door twee kogels was getroffen. Tamelijk genant dus. Gelaten deed ik voort over de Tweede en Derde Stationsstraat, hopende dat ik niet teveel bekijks zou trekken. En bij de watertoren moest ik zelfs tot stilstand komen: ik had verzuimd dubbele knopen in mijn schoenveters aan te leggen zodat ik mijn Sauconietjes zowat uit kon schoppen. En het is na ruim 15 kilometer strontvervelend om je veters te moeten gaan strikken kan ik U mededelen.
Even keek ik naar zwembad De Veur, waar in het verleden door ons veel gezwommen was en waar ik één keer per week Jantine naar toe bracht om er in een klein zaaltje checkers te spelen, een variant op dammen. Andere zwembaden in Zoetermeer waren De Driesprong in Driemanspolder, waar de meisjes afzwommen voor hun diploma’s en zwembad Het Keerpunt in het Van Tuyl Sportpark, met de mooie en snelle glijbanen. En er was ook het piepkleine badje aan de Parkdreef, waar ooit de zwemlesjes begonnen.
Gesloopt bereikte ik de voet van de witte brug over de A12, hees mij voor de laatste keer naar boven en daalde weer af voor het laatste stuk richting Zoetermeer Oost en dan weer linksaf richting die vermaledijde finish. Ik kon eigenlijk niet meer, maar ik moest toch. Amechtig harkend sleepte ik mijzelf voort over de Eerste Stationsstraat, en liep via de Pilatusdam de Dorpsstraat binnen. Gadegeslagen door een uitzinnige menigte overschreed ik het finishvod in 2:06:30, een ietwat matige tijd, maar ach, ik had het toch maar voor elkaar gekregen. De strijd was gestreden, het leed was geleden. En kijk, daar kwam Jantine ineens uit de menigte opduiken en leidde ze mij met vaste hand richting de medaille- en sportdrankuitgifte. Wat fijn dat ze ondanks haar brakke toestand toch was gekomen.

Snel liepen we langs het Brownies-en-Downies-achtige restaurantje De Zoetelaar naar het CKC, want veel tijd om de spullen op te halen was er niet meer. Na een snelle omkleedpartij wandelden dochter en vader naar het Willy Dobbeplantsoen, want er stond nog iets anders op het programma die middag. Op een ponton ging de musical Spion op de Toren vertoond worden, en Lianne ging er samen met Dion de hoofdrol spelen! En ook mijn ouders zouden van de partij zijn. Helaas was het niet in ze opgekomen om mij te komen aanmoedigen. We troffen elkaar bijtijds en namen plaats op de tribune, in afwachting van het schouwspel. Tevreden genoten we met z’n viertjes in het stralende zonnetje van de voorstelling, waarbij ik – ik moet het toegeven – af en toe moeite had mijn luikjes open te houden. Maar twee luciferhoutjes deden wonderen, zodat ik weinig tot niets miste.
Het was een prachtige show geweest, waarbij Lianne en Dion hadden geschitterd. Pappie en mammie brachten mij na afloop naar het station voor de terugreis richting Gouda. Ik heb een mooie, welbestede dag achter de rug waarop ik tot mijn vreugde heb kunnen constateren dat ik qua hardlopen weer behoorlijk in de lift zit. Maar misschien moet ik toch maar eens overwegen me weer bij een loopgroep aan te sluiten. In Gouda heb je daarvoor de Goudse Runners, en ik zal binnenkort eens contact opnemen met die club. Wellicht kunnen zij mij verder helpen op mijn weg omhoog. Het zal mij benieuwen!
Naschrift redactie 7 december 2025: er is zoveel dat ik hier niet over de periode van 1987 (mijn komst in Zoetermeer) tot en met 2012 beschreven heb. Er is sowieso veel te veel gebeurd, en voor sommige heftige zaken geldt dat ik Tobatleet in de huidige staat nou niet echt het geschikte format/medium vind om er verhalen over te maken.

Sinds1985…
https://sarizoetermeer.com/
That’s the one Rolf! Bijzonder dat ie daar nog steeds zit hè?