Het is inmiddels oktober 2013, en er gebeurt in mijn leven maar weinig dat mij nog vrolijk kan stemmen. De knipperlichtrelatie tussen Jolanda en mij, die sterk weg heeft van een kapotte TL-buis, begint nu echt uit te doven. Kort gezegd: het lukt ons doodgewoon niet. Well let me rephrase that, en laat ik vooral niet voor Jolanda spreken: het lukt míj doodgewoon niet. Het zijn acht maanden geweest van voortdurend aantrekken en vrijwel direct weer afstoten. Hoge hoogten, diepe dalen: die zijn er volop geweest. Met recht een rollercoaster, net zoals bij Sue en mij destijds. Maar er was simpelweg geen enkele vastigheid in de relatie te krijgen, ondanks de goede intenties van ons beiden. Onze recente eerdere (liefdes)levens, en de enorme turbulenties die deze levens teweegbrachten, maakten dat wij er beiden niet klaar voor waren. Dat wil zeggen: niet klaar om een echt bestendige relatie met toekomstperspectief te ontwikkelen. Vooral van mijn kant bleek het er simpelweg niet in te zitten: ik had blijkbaar nog een hoop te verwerken van de tijd met Sue. En dus sloot ik mij meer en meer af. Omdat ik misschien deep inside het commitment wel wilde, maar het werkelijk niet kon opbrengen.
Dit alles tot grote frustratie van ons beiden, frustraties die niet zelden tot flinke uitbarstingen leidden. En dus is de conclusie: het kan gewoon niet langer meer zo. Er is ook nog het leeftijdsverschil van bijna 15 jaar tussen Jolanda en mij, en dat begon naarmate de tijd vorderde ook behoorlijk te schuren qua wederzijdse verwachtingen. Bij haar nog een sluimerende kinderwens, ofschoon die ook het nodige knipperlicht-effect vertoonde. Dan weer wel, dan weer niet. En moest dat nou überhaupt van mij komen? Bij mij bestond immers geen enkele kinderwens meer op mijn vergevorderde leeftijd van 52 jaar. Los daarvan: mijn innig geliefde dochters zagen me al aankomen. Ze hadden mij spontaan omgekeerd onterfd, was het zover gekomen en het zaadje geplant geweest. Aan hun lijf geen broertjes- of zusjes-, kortom nakomertjespolonaise. No way.
Temidden van dat alles had ik halverwege september in goed overleg met mijn werkgever in Dordrecht mijn baan opgezegd. Of eigenlijk: ik had het hen laten opzeggen, want dat kwam mij uiteraard het beste uit. Zo kon ik namelijk, in afwachting van iets nieuws, in ieder geval een tobinkomen zeker stellen. Iets dat uiteraard onmogelijk was geweest indien ikzelf het stekkertje uit het contract had getrokken. De baan als Architect/Service Designer ging mij in alle eerlijkheid ver boven mijn pet: het was veel te ICT-technisch allemaal, en daar liggen nou eenmaal mijn kracht én mijn affiniteit niet. En dus sloeg ik op 19 september de poorten van het Da Vinci College in Dordrecht met een harde klap dicht, daar waar ik zes maanden had gewerkt voor een coöperatie van MBO-scholen die gezamenlijk de ICT- en IV-infrastructuren voor deze scholen ging stroomlijnen. Dagelijks had ik heen en weer naar Dordrecht gependeld, naar een plek waar ik weliswaar leuke collega’s had – dat was fijn – maar waar ik werkinhoudelijk zowat kapot was gegaan van de stress. Gecombineerd met de voortdurende amoureuze stress bleek dit veel te veel van het goede. Of van het kwade zo u wilt.
En dus stond ik op die ook al zo kwade regenachtige septemberdag pardoes op straat. En dat bevorderde het contact met Jolanda ook al niet: ik begon meer dan ooit in mijzelf te keren, diep gefrustreerd als ik was. Vlak voor mijn vertrek bij het Da Vinci hadden zij en ik nog een aantal dagen doorgebracht in Renesse, in het vakantiehuisje van mijn zussie, maar ook daar was duidelijk geworden dat de geest uit de liefdesfles aan het verdwijnen was. Het was en is niet anders. Onze relatie heeft mij – helaas – alweer niet de rust, bekrachtiging, vertrouwen, warmte en toekomst gegeven waar ik ten diepste naar snak. En datzelfde geldt overigens voor Jolanda.
Al dat gedoe – laat ik deze misère zo maar samenvatten – had en heeft uiteraard een funest effect op mijn glorieuze hardloopbaan. Al vroeg in het jaar had ik mij ingeschreven voor mijn debuut op de Halve Marathon van Amsterdam die op zondag 20 oktober gehouden ging worden. Precies een maand na mijn aftocht uit Dordrecht zou ik mijn intocht maken in het hoofdstedelijke Olympisch Stadion. Niet dat ik daar nog nooit geweest was hoor: samen met mijn vader en mijn opa had ik halverwege de Roaring Seventies meermalen het Amsterdam 700 voetbaltoernooi bezocht. In de tijd dus dat er nog twee ringen waren. Tussen 1996 en 2000 werd de tweede ring verwijderd en keerde het stadion weer terug in zijn oorspronkelijke staat van 1928. De capaciteit kon worden teruggebracht doordat Ajax met de komst van de Amsterdam ArenA niet meer zijn belangrijkste wedstrijden in ‘het Olympisch’ hoefde te spelen. En ook voor Oranje was er dus inmiddels een prachtige gloednieuwe Mokumse ArenA beschikbaar.

Het vooruitzicht om als Tobatleet deze voetbal- en inmiddels ook atletiektempel te betreden vervulde mij al maandenlang met de grootst mogelijke opwinding. Nou ja, grootst mogelijke – we moeten het uiteraard ook weer niet overdrijven. Echte opwinding is slechts weggelegd voor echt opwindende zaken (lees: vrouwen). Maar door al het gedonderjaag – laat ik deze misère zo maar samenvatten – werd The Road to Amsterdam een ware martelgang. En dat werd nog eens verergerd door een buitengewoon warme trainingszomer. Van mijn zeer gewaardeerde Goudse Runnerstrainer Paul had ik een prachtig schema gekregen voor een tijd van om en nabij de 1 uur en 50 minuten. Dit uiteraard na een zijner- en mijnerzijds grondige en buitengewoon optimistische inschatting van mijn mogelijkheden. Het zou voor mij een Persoonlijk Record betekenen na de 1:54:08 op mijn HM-debuut in Leiden in 2003. Vorig jaar september was ik bij mijn tweede optreden op die afstand bij de Geuzenloop in Zoetermeer niet verder gekomen dan een schamele 2:06:30, een ervaring die mij er uiteindelijk toe had gebracht me aan te sluiten bij de Goudse Runners. Een buitengewoon verstandige keuze, al zeg ik het zelf.
De hele zomer trainde ik mij een slag in de rondte. Lange duurlopen werden afgewisseld met intervaltrainingen die er qua zwaarte niet om logen. Tezamen met de GR-zaterdagtraining kwam ik drie maanden lang uit op maar liefst vier trainingen per week. Met daarbij een enkele uitvaller wanneer het snikhete weer het echt niet meer toeliet. Het was een zeer uitdagend schema, en ik begon me na verloop van tijd af te vragen of dit nou niet ál te ambitieus was geweest. Wekelijks rapporteerde ik mijn bevindingen en voortgang aan Paul, zonder daarbij te vragen om aanpassingen. Dat had ik absoluut moeten doen, besef ik achteraf. Maar ik moest en zou die vermaledijde 1 uur 50 minuten gaan lopen daar in Amsterdam, en niets of niemand kon mij van dat idee afbrengen. Met alle ellende die er speelde wilde ik gewoon iets wél goed doen. En dus ploeterde ik onversaagd voort in het Reeuwijkse Plassengebied, mijn zelfverkozen trainingsterrein. Tegen beter weten in. Alhoewel: ik wist helemaal niet beter op dat moment.
Het trainingsprogramma kende ook een aantal onbetwiste hoogtepunten. Op vrijdag 13 september, daags voor het vertrek van Jolanda en mij naar Renesse, liep ik voor de tweede keer in mijn bestaan de Goudse Singelloop. In 2004 had ik mijn debuut gemaakt op deze Straten- en Steegjesloop, want een singelloop kun je dit niet bepaald noemen. Op een mooie vrijdagavond liep ik destijds een aardige debuuttijd van 51:17. Daarna werd mijn leven compleet opgeslokt door de aanwezigheid van Sue, en was er van mijn deelname aan de Goudse Singelloop nooit meer iets terechtgekomen. Tot een maand geleden dus. En het ging een stuk sneller dan in 2004. In de eerste en tweede van drie plaatselijke ronden had ik mij vastgeklampt aan Goudse Runners-loopmakker Nico, die een strak tempo onderhield waarmee ik ruim onder de 50 minuten zou duiken. Op een gegeven moment liep ik zelfs rond op een schema van onder de 49 minuten. De laatste ronde gaf evenwel verval te zien. En ondanks de vergeefse hulp van trainer Rob, die mij nog een tijdje trachtte te hazen, en de luide aanmoedigingen van Lea en Jolanda op de Naaierstraat vlak voor de finish eindigde ik uiteindelijk boven de 49-minutengrens in een verder toch wel aardige tijd van 49:29 – al zeg ik het zelf.

In Renesse liet ik op een fraaie maandagmiddag Jolanda in de steek voor een heerlijke duurloop van 100 minuten – geheel volgens het schema van Paul. Misschien was dat een vlucht uit een inmiddels uitzichtloze situatie tussen haar en mij – ik had uiteraard niet hoeven weglopen en haar in het huisje laten kniezen. Maar op dat moment realiseerde ik me dat nauwelijks – zo fanatiek was ik beschäftigt met de voorbereidingen voor de halve marathon van zondag 20 oktober. Het geeft wel aan hoe het commitment richting Jolanda inmiddels was vervlogen. Overigens: dat was geheel wederzijds.
Op zaterdag 21 september, Jolanda’s verjaardag, liep ik in de eerste uitgave van de Red Rose Run een heel fraaie 12:53 over drie kilometer. Bij deze door GR-trainer Rob georganiseerde testloop draaft de atleet een vijftal rondjes á 600 elk. Over de finish gekomen word je door Rob en zijn vrouw Susanne onthaald op een rode roos. Daarna wordt een brunch aangericht volgens het principe van de Amerikaanse fuif. Een ieder maakt dus wat om de culinaire feestvreugde te verhogen. Mijn aandeel daarin was een drietal potten zelfgemaakte jam, ideaal voor op brood of (nog beter) op de pannenkoek.

Maar er was meer. Op zondag 29 september toog ik naar mijn voormalige woonplaats Zoetermeer om als training nog een 10km Geuzenloop te verhapstukken (bron: Arranraja). Drie dagen daarvoor had ik in de stromende regen de 21.1km getackeld, in en rondom de Reeuwijkse Plassen. Daardoor waren mijn ambities voor de Geuzenloop niet al te groot – het lichaam stond nog in de herstelstand op die zonnige zondag in Zoetermeer. Daar paste ik dezelfde truc toe als in Gouda door de eerste zes kilometer in het kielzog van Roadrunner Hans te lopen in een alleraardigst tempo van 4:50 de kilometer, wat goed zou zijn geweest voor een eindtijd van 48:20. Maar door de warmte én door de herstelstand kon ik het tempo van Hans niet blijven volgen en zakte ik zo ver weg dat een eindtijd van 51:33 mijn deel werd. Desondanks was het fijn om weer in Zoetermeer te zijn en een flink aantal Roadrunners te hebben gesproken. En het hoogtepunt van die dag moest nog komen: op een ponton op de Dobbeplas bij het Dobbepark (door mij uiteraard omgedoopt tot Willy Dobbeplantsoen) speelde mijn jongste dochter Lianne een rol in de Warm Water Jeugdtheater-musical over de Slag bij Zoetermeer. Een glansrol uiteraard, dat spreekt vanzelf. Vermoeid en voldaan van de 10km-beproeving kon ik lekker onderuitgezakt met een AA-drinkje van dat spektakel genieten. Waardoor het leven toch weer even de moeite waard was. By the way: inmiddels heb ik een kaartje gekocht voor alweer haar volgende musical, getiteld Head over Heels, ergens in november. En in februari mag (en zal) ik opnieuw opdraven in het Kwadrant Theater voor een musical waarvan, nu ik dit schrijf, mij de naam volledig is ontschoten. Sorry Lianne.


Als laatste wat langere training verhapstukte ik op zondag 6 oktober met mijn Goudse Runners een 13.5km duurloop vanuit het Jeu de Bouleshonk aan de Hollandse IJssel richting de Reeuwijkse Plassen en terug. Onder de titel ‘Goudse Runnersloop’ wordt en groupe deze beproeving afgewerkt, waarbij demarreren uit den boze is. Het gaat bij deze loop immers om de gezelligheid, en gezellig zijn doe je niet in je eentje, aldus GR-opperhoofd Hans desgevraagd. Maar op deze manier had ik wel weer een lekkere bak trainingskilometers bij elkaar gesprokkeld. Na afloop van deze samenloop was er een gezellige afterparty in de petanque-kantine compleet met koffie en taart, een kolfje naar de hand van de Ware Goudse Runner.
Het Weekend van de Waarheid naderde met rasse schreden. Een week voor het festijn had ik op een grauwe zaterdag na de gebruikelijke GR-training de trein en tram naar het Olympisch Stadion gepakt om aldaar het start- en finishgebied te verkennen. Op die manier begon ik wel aardig in de stemming te komen. Zwaar was ik onder de indruk van het bij leven al legendarische stadion, en met een mengeling van eerbied en opwinding monsterde ik de tribunes en de atletiekbaan waarover ik op Marathondag zou snellen richting dat verrekte finishvod. Met – en dat wist ik al een tijdje – mijn lieve dochter Jantine op de tribune. Sinds jaar en dag is zij mijn ‘coach’, althans zo zien wij dat. En dan wel mijn mental coach om precies te zijn. Heel even had mijn vader ook belangstelling getoond om naar Amsterdam te komen, maar helaas was die keutel inmiddels weer ingetrokken. Mogelijk mocht hij niet van mijn ietwat veeleisende moeder – wie zal het zeggen. Maar het had ook voor Jantine gezellig kunnen zijn om met haar opa de verrichtingen van haar pappie te kunnen volgen. Jammer, maar helaas. Enfin, misschien een volgende keer dan. En aan het begin van de avond was Jolanda toch weer voor even uit de radiostilte opgedoken en hadden we het toch weer eventjes een soort van gezellig samen.


En zo stonden op zondag 20 oktober in het Jaar des Heeren 2013 vijf Goudse Runners in het zonnetje te kleumen op het Anton Pieck-achtige Goudsche stationnetje. Zeker op het perron, waar de wind vrij spel had, voelden Nico, Gert, Peter, Paul en ik ons behoorlijk onbehaaglijk in onze sportieve kleertjes. Alle vijf zouden we de halve marathon gaan lopen, terwijl een groot aantal andere Goudse Zaterdagrunners, onder wie Annemarie en Nellie, al eerder naar de hoofdstad vertrokken waren voor de 8km-loop. Gisteren tijdens de zaterdagtraining hadden vooral de 21km-lopers zich van Rob compleet gedeisd moeten houden. Bloedfanatiek als wij alle vijf zijn hadden we daar de grootste moeite mee gehad. Het had bijna tot bonje geleid met onze trainer, maar gelukkig wisten wij de gemoederen op tijd te sussen en koelde ook Rob weer wat af.

Gelukkig kende onze trein geen vertragingen, en arriveerden wij, na een overstap op Bijlmer ArenA, om 11:18 uur op station Amsterdam Zuid. In de uitzinnige mensenmassa op het perron ontwaarde ik al gauw Jantine, die ook juist was geland na een lange reis vanuit haar studieplaats Groningen. In een trein die naar haar zeggen geheel volgeprakt was geweest met kinderen, bejaarden en dagjesmensen. En uiteraard de hardlopers die zich vanaf Groningen in de trein hadden gestort op weg naar hun hoofdstedelijke beproeving. Eigenlijk net zoals bij ons dus. En het werd nog erger qua drukte: een immense op het metroperron verzamelde menigte moest zich vervolgens in Lijn 50 naar de Amstelveense Weg proppen. Een ondraaglijke gebeurtenis voor de verstokte claustrofoob, maar we overleefden het allemaal gelukkig.
Happend naar frisse adem sjokte een grote menigte vervolgens naar Sporthallen Zuid, het toneel voor alle omkleedpartijen. Gelukkig had Paul daags tevoren daar al onze startnummers opgehaald, want aan de ellenlange rijen te zien had dit heel erg veel van onze kostbare tijd geconsumeerd, hadden we dit nu moeten doen. En dus konden wij ons direct vrolijk gaan omkleden en onze startnummers op de shirts monteren. Intussen ploften op mijn pientere telefoon de nodige succeswensen binnen, onder andere van Jolanda en Silvia die speciaal voor ons vijven de app op haar gee-es-em-metje geïnstalleerd had om ons te volgen. Het was overal stervensdruk, waar je ook stond of liep, en Jantine keek dit alles met argusogen aan. Ze had al eens laten ontvallen dat ze ook best wel zou willen gaan hardlopen, zelfs in wedstrijdverband, maar deze massale opgefokte zooi leek haar toch iets te gortig.

Nadat iedereen klaar was met omkleden leverden wij onze spulletjes in bij de kledingafgifte. Het was inmiddels behoorlijk bewolkt geworden. Even namen wij nog de tijd voor een fotoshoot (met banaan), en daarna vertrokken de vijf Marathonmusketiers al dribbelend over de Burgerweeshuissstraat richting de startvakken op de Stadionweg. Jantine splitste zich van ons af richting het stadion, waar ze op de tribunes zou gaan plaatsnemen en waar ze het hopelijk niet te koud zou hebben. Gelukkig had ze wat te lezen bij zich en beschikte ze over voldoende proviand. Over haar hoefden wij ons vooralsnog geen zorgen te maken. Wel maakte ik mij zorgen over mijn vorm, over mijn toestand. Had ik genoeg getraind? Zou ik het hoge tempo kunnen volhouden? De twijfel sloeg toe. Big time.

Gestaag vulden zich de startvakken met misschien ook wel veel twijfelende lopers. Voor de geïnteresseerden: ikzelf stond in startvak Geel. Voor wat het waard is. Mijn kompanen was ik verloren geraakt in de menigte: ik had mij inmiddels aangesloten bij de haasgroep voor 1 uur 50, en mijn Goudse medestrijders hadden heel andere plannen, sommige ambitieuzer dan de mijne, andere weer wat minder. Opzwepende muziek schalde over de Stadionweg. Get Lucky van Daft Punk werd in één adem afgewisseld door – alweer – Pharrell Williams die hoorbaar Happy de Peppie was. Een andere gemoedstoestand dan de mijne dus. Inmiddels had de koperen ploert weer de kop opgestoken zodat het erop leek dat we een zonnige start gingen beleven. Even keek ik naar links, de Amstelveense Weg in. Daar zou ik na hopelijk een uur of twee uit vandaan komen in de laatste honderden meters van mijn helse beproeving. Rechts van mij was de FeBo op het Stadionplein gelegen, het etablissement waar ik een week eerder tijdens mijn verkenning een kroketje aan de muur had onttrokken.
Met nog een paar minuten te gaan voor de start monsterde ik mijn haasgroep. De twee pacers – een man en een vrouw van Antilopenvereniging Phanos – vertelden ons dat we ondanks de gigantische drukte op het parcours een zo gelijkmatig mogelijk tempo zouden gaan lopen. Ook deelden ze achteloos mee dat het zaak was om niet te verachteren, anders kwam je nooit, nee nooit meer terug (bron: Louis Neefs). Ik werd wat bleek om de neus: had ik wel het goede gedaan? Zou dit voor mij niet een uitputtingsslag gaan worden gezien alle shitzooi op allerlei gebied? Had ik niet gewoon mijn ambities moeten temperen en in moeten zetten op een wat bescheidener tijd? De vertwijfeling bereikte het kookpunt. Maar godzijdank, op dat moment was daar het startschot en zetten wij ons in beweging. En het werd opeens een stuk eenvoudiger. Gewoon maar achter die hazen aanhoppen en wel zien waar het scheepje ging stranden.

Tot mijn genoegen voelde ik mij door de doorbrekende zon en de zojuist gestarte inspanning behoorlijk warmer worden. De colonne passeerde het Olympiaplein met zijn sportvelden, en even dacht ik terug aan de vele pauzewandelingen die ik met mijn naaste collega’s had gemaakt vanuit het KKC-hoofdkwartier op de Prinses Irenestraat. Dit alles speelde zich af in de jaren 1984-1987, een eeuwigheid geleden alweer. Bij KKC was ik destijds mijn serieuze carriere begonnen als (junior) programmeur bij de AC-groep, ook wel micro-groep genaamd. In die tijd deden de eerste Personal Computers hun intrede en manipuleerden wij die computers zodanig dat de accountant die kon gaan gebruiken voor de audits. Lekker programmeren tot op het bot van de computer, in de complexe programmeertaal C, gecombineerd met een snufje assembler. Het was in die tijd. Een tijd waarin ik deze werkzaamhden combineerde met een avondstudie aan de Gemeentelijke HTS in Den Haag. Een tijd waarin ik mijn afstudeerscriptie wijdde aan het fenomeen Test Coverage. Met succes overigens: men had voor mijn schrijfsel maar liefst een acht (zegge: 8) over. God knows how, God knows why.
Maar dit alles terzijde. Inmiddels liepen we over de Stadionweg nog steeds braaf achter onze gangmakers aan te hobbelen. De weg was breed, dat ging dus ook wel redelijk gemakkelijk, maar voortdurend moesten we oppassen op tramsporen. We sloegen rechtsaf de Apollolaan in, langs de roemruchte Apollohal, vermaard om zijn vele basketbalwedstrijden die er gespeeld zijn. Maar de Apollohal is meer dan alleen basketbal. Hier werd in 1935 al tegen de jodenvervolging in Duitsland gedemonstreerd en in 1954 bracht vibrafonist Lionel Hampton het publiek zo tot extase, dat de vloer het begaf. Om het roemruchte van deze hal maar eens te benadrukken.
Via de Muzenlaan bereikten wij de Churchilllaan. Ik hoopte op dat moment al lekker in mijn ritme te zijn gekomen, maar helaas: het kwam maar niet. Dat ritme bedoel ik. Even neigde mijn hoofd naar rechts, om te kijken of ik de RAI kon zien. De RAI was in de jaren zeventig en tachtig voor mij immers het toneel van de HISWA- en Firato-beurzen die ik met mijn vader dan wel met jeugdvriend Dik (later noemde hij zich Dirk, naar die supermarkt, Uweetwel) had bezocht. En altijd met hetzelfde resultaat: tassen vol met brochures, gadgets en andere hebbedingetjes verlieten het pand op weg terug naar Leiderdorp. Zonder dat we iets gekocht hadden, uiteraard. Ook werden er de SDW-gebruikersdagen georganiseerd, maar dat was dan weer in de Roaring Nineties. Samen met veel Rijnland-collega’s bezocht ik dat festijn jaarlijks. Voor de liefhebbers: SDW staat voor System Development Workbench, en daar wou ik het verder bij laten. Eenmaal kreeg die dag een spetterend vervolg bij het Olympisch Stadion: in een immense circustent genoten wij daar van het Cirque du Soleil-spektakel Alégria.
Vervuld van deze herinneringen vervolgde ik mijn strooptocht. Geen RAI te zien overigens. En dus snelden wij voort over de Churchilllaan, een brede laan met een grote groene middenberm met aan beide kanten de tramrails. In de verte gloorde de Berlagebrug, en eventjes dacht ik terug aan die dag eerder dit jaar waarop ik met Jantine op genoemde brug stond. We waren daar om te kijken naar de roeiverrichtingen van haar boyfriend Maarten tijdens de Head of the River, een van de topregatta’s in Nederland. Dat deden we wel vaker: ook in Delft en op de Bosbaan in Amsterdam waren wij zijn roeikunsten gaan bewonderen.
De Berlagebrug, waarnaar overigens de beroemde bouwmeester vernoemd is, bereikten wij niet: op het Victoriaplein sloegen wij rechtsaf de Rijnstraat in. In mijn rechterooghoek zag ik het standbeeld van Berlage staan. Een terechte eer, vond ik, voor de man die verantwoordelijk was voor onder andere de Beurs van Berlage (van wie anders?), het Haagsch Gemeentemuseum en het fraaie Jachtslot Sint Hubertus op de Veluwe bij Otterlo. We liepen over de Rijnstraat, en ik voelde dat langzaam maar zeker mijn krachten aan het afnemen waren. En dat was veel te vroeg in deze wedstrijd die nog 17 lange kilometers zou duren. Moest ik nu al de tol betalen voor mijn overambitie? Schielijk trachtte ik het onvermijdelijke nog uit te stellen door mij in het kielzog van de meest bevallige paardenstaart te begeven. Deze fraaie hinde met reebruin haar en reebruine ogen zou mij door deze lastige kilometers moeten gaan heenslepen, ofschoon zij zich geen moment bewust was van de langzaam leeglopende kwijlende tobatleet achter haar. Een tobatleet die bepaald niet liep zoals het heurt. Opnieuw maakte vertwijfeling zich van mij meester. Hoe in vredesnaam deze afstand, die naar mijn gevoel steeds groter in plaats van kleiner werd, te overbruggen?
Gelukkig was er – naast de aanblik van mijn gelegenheidshinde – afleiding genoeg. We passeerden de St. Catharina Fröbelschool op de Rijnstraat, en het zien van die naam deed mij onbedaarlijk glimlachen. Een heuse fröbelschool was dit dus. De website amsterdamhv.nl zegt hier het volgende over: ‘Een fröbelschool is een kleuterschool gebaseerd op de pedagogische ideeën van Friedrich Fröbel (1782-1852). In het begin van de negentiende eeuw ontwikkelde Fröbel zijn onderwijstheorieën. Onderwijs moest van hem vooral een creatief en dynamisch proces zijn. Alle aspecten van de persoonlijkheid moesten tegelijk worden ontwikkeld, en het moest vooral ook leuk zijn. De nadruk van deze onderwijstheorie voor jonge kinderen lag dan ook bij: een plezierige leefomgeving, eigen activiteiten van kinderen en lichamelijke beweging.

Dat dus. En tegelijkertijd vroeg ik mij af waarom het woord ‘fröbelen’ (=maar wat aanrommelen) toch aan die ietwat denigrerende connotatie was gekomen. Enfin dat zou ik later nog wel eens uitzoeken. Nu was ik druk bezig met mijn eigen hardloopgefröbel, dat zachtjesaan trieste vormen begon aan te nemen. Mijn paardenstaart en ik naderden inmiddels het Martin Luther Kingpark en de Utrechtse Brug over de Amstel richting het Amstelkwartier en Duivendrecht. Enkele lopers uit het haasgroepje waren hier al afgehaakt, maar ik klampte mij met de moed der wanhoop aan mijn metgazelle vast. En vanzelfsprekend ook aan mijn Phanos-hazen die ijverig voortdeden in een tempo dat mij op dit moment eigenlijk al te hoog lag. Het betreden van de brug voelde al als een lelijke klim, zeg maar gerust een veeg teken aan de wand. Nee, dit ging ‘m niet worden vandaag.
Na de klaverbladdraai naar de Joan Muyskenweg werd het saai, oersaai, op en rond een bedrijventerrein van enorme omvang. Waarom hadden ze verdorie toch deze vermaarde loop door deze negorij laten lopen? Konden ze nou echts niets beters verzinnen? Bij de eerste drankpost, gelegen naast een groot hotel, nam ik even de tijd om rustig twee bekertjes water door mijn dorstige keelgat te laten kolken. Hierdoor verloor ik het contact met mijn wapperende paardenstaart, iets wat mijn gemoed nog meer verslechterde. Met een lange sprint keerde ik in het groepje terug, maar nu was de plek achter mijn gelegenheidshinde ingenomen door een andere tobbende atleet. Sakkerloot, wat nu? Uit arren moede nestelde ik mij dan maar achter een behoorlijk zwaarlijvige jongeman, die hevig hijgend en transpirerend rondliep, maar die in tegenstelling tot ondergetekende het tempo van de pacemakers moeiteloos volgde. Met hem moest ik het dan voorlopig maar rooien, bedacht ik mij wanhopig terwijl de laatste restjes energie mijn vege lijf begonnen te verlaten.
Het bleek tevergeefs. Na 9 kilometer, ter hoogte van de Watergraafsmeer en het Betondorp van Hendrik Johannes Cruijff, verloor ik het contact met de haasgroep. Langzaam maar zeer zeker zag ik ze voor mij uit schuiven. En ik, ik had geen enkele kracht meer over, geen druppel peut meer in de tank. Opgeven: dat zou ik nooit, maar hoe dit nog 12 kilometer vol te houden? Ik was nog niet eens op de helft! Goodbye ambities, goodbye schema, nu moest ik mijn eigen eenzame weg gaan temidden van een grote menigte hardlopers waarvan de meesten mij passeerden alsof ik stilstond, Well, to be honest: ik stond ook zowat stil. Op mijn tandvlees bereikte ik de tweede drankpost na ongeveer 10 kilometer. Om er nog wat brandstof in te krijgen voorzag ik mij van twee bekertjes sportdrank en twee bekertjes water, in de stille hoop dat er weer wat leven in mijn sportieve brouwerij zou komen.
Maar het mocht allemaal niet baten. Als de dood van Pierlala sleepte ik mij door de kilometers heen. Ik begon de nog af te leggen kilometers af te tellen, Een standaard routine als het slecht met je gaat, iedereen kent het, maar daar word je dus al helemaal niet vrolijk van. Op de Molukkenstraat richting Zeeburg werd het weer vervelend smal en moest je razendgoed oppassen om niet in een tramspoor te belanden. Na veel dring-, duw- trek- en schopwerk mocht ik eindelijk linksaf slaan, de Zeeburgerdijk op voor een lange tocht richting het Vondelpark. Rechts van mij zag ik Café Dorst, en een glimlach trok over mijn gekwelde gezicht. Wat een briljante naam toch voor een uitspanning. Ik begon zelfs spontaan trek in een pintje te krijgen, en dat terwijl ik al geruime tijd droog sta. Afgebouwd in de tijd met Sue, definitief drooggelegd in de tijd met Jolanda. Erewoord. Nou ja, in mijn deplorabele toestand was zelfs een alcoholarm biertje al genoeg geweest voor een uiterst genante fantoomdronkenschap. Geheel nuchter, maar ook sportief gezien totaal ontnuchterd, sleepte ik mijzelf voort over de Amsterdamse wegen. De Zeeburgerdijk ging over in de Mauritskade, en ook daar wemelde het van de tramsporen, buitengewoon gevaarlijk voor een gesloopte tobatleet die zich amper meer op zijn stappen kon concentreren. Bij de drankpost op het 15-kilometerpunt gooide ik er nog maar eens de nodige doping in, maar dat had ik net zo goed niet kunnen doen. De geest was inmiddels totaal uit mijn fles.
Niet alleen is het een ellenlang stuk over de Mauritskade, ook de nodige tunnels en bruggen maken het tot een ware martelgang. Regelmatig moest ik mij een stop N go-penalty toestaan, omdat ik letterlijk niet meer vooruit te branden was. Rechts van mij, aan de overkant van het water bij de Weteringschans, lag het oerlelijke gebouw van de Nederlandsche Bank. Vroeger, heel vroeger, stond hier het Paleis voor Volksvlijt, een groot glazen tentoonstellingsgebouw. Het werd gerealiseerd door de Vereeniging voor Volksvlijt tussen 1859 en 1864. Het paleis werd in de nacht van 17 op 18 april 1929 door brand verwoest, waarna het nooit meer herbouwd werd, ondanks de verwoede pogingen daartoe van Wim T. Schippers in recente jaren. Ik vond dat wel stoer, die pogingen, want net zoals Wim T. heb ook ik een hang naar ouwe meuk en grandeur. Het mocht er echter niet van komen.

Ook rechts van mij lag ergens het Japans restaurant Yiochi, waar ik ooit in de negentiger jaren met Jacqueline, Pirjo en Rolf was beland na een Dagje Amsterdam. Wat mij bijstaat is dat het een eethuis was dat zeer in trek was bij de Japanners zelf. Uitmuntende kwaliteit dus. En wat mij ook bijstaat is dat je na afloop een visitekaartje van het restaurant kreeg, met daarop met plakband een kwartje gekleefd. Om een taxi te bellen. Daar hadden wij niet van terug, zoveel gastvrijheid en inlevendheid. Moet je daar in een Nederlands etablissement maar eens om komen. Ze lachen je in je gezicht uit bij alleen al de gedachte. En schoppen je daarna de tent uit.
Ik passeerde de Heineken Experience, gevestigd in de oude brouwerij, maar de gedachte aan bier maakte mij nu zelfs een beetje misselijk. Datzelfde gebeurde even later weer toen mijn hoofd opeens naar links zwiepte en ik onwillekeurig de Ferdinand Bolstraat inkeek, op zoek naar de FeBo. Wist U trouwens dat FeBo staat voor Ferdinand Bol? En wist U dat ten onrechte de mare rondgaat dat die automatiek op de Ferdinand Bolstraat de eerste vestiging was van dit krokettenimperium? De échte eerste FeBo was namelijk gevestigd op de Amstelveenseweg, de plek waar ik hopelijk straks mijn laatste honderden meters zou lopen. Als ik dan nog leefde, tenminste.
Leuk hè, al die weetjes over ditjes en datjes, je wordt er echt heel streetwise van en je kunt er vol bravoure over opscheppen tegen je gevolg tijdens feestjes en partijen. Niemand zal je tegenspreken, uit respect voor zoveel (geveinste) kennis. Maar dit alles geheel terzijde. De lijdensweg van Uw dienstwillige dienaar duurde immers voort, en daarover moet dit kletspraatje gaan, vindt U ook niet? Het Rijksmuseum doemde op, en dan weet de attente atleet dat niet lang daarna het Vondelpark staat te wachten. Naar mijn weten was ik heel vroeger een keer met mijn gezin van herkomst in Het Rijks geweest, maar staat U mij toe daar niet veel meer van te herinneren. Ongetwijfeld zal ik er de Nachtwacht hebben gezien, maar mijn actieve geheugen laat mij wat dat betreft compleet in de steek. Trouwens: anno 2013 is het Rijksmuseum weer geopend voor het publiek na een verbouwing van maar liefst 10 jaar.
Na het passeren van de uiterst kekke PC Hooftstraat doemde aan de rechterkant het Max Euweplein op, U weet wel: het plein waarnaar de eerste en enige wereldkampioen schaken Max Euwe is vernoemd. Max Euwe, een kind van de Watergraafsmeer, werd in het geboortejaar van mijn vader (1935) wereldkampioen na een match met de Rus Aleksandr Aljechin. Twee jaar later verloor hij de kampioenschap weer aan Aljechin, die de titel zou meenemen in zijn graf. Op het plein kan op straat geschaakt worden, en ook vindt men er een Holland Casino, een Hard Rock Café en een Ierse Pub met de illustere naam Aran. Nog wat verder gloorde het chique Hotel Americain aan het Leidseplein, een hotel waar Sue en ik menigmaal hadden gestopt voor Coffee and Light Refreshments (bron: Hyacinth Bucket, niet Bouquet). En nog verder weg lag de Overtoom, waarnaar je alleen maar kon schuitjevaren voor zoete melk met room en brokken.

Maar eindelijk was daar het Vondelpark, toneel van een twee kilometer lange doorgang waarop ik mij speciaal had verheugd. Hoeveel stapjes had ik in mijn leven al niet in dit park gezet? Naast de stijlvolle entree, met daarbij het beeld van De Maagd van Amsterdam (wie zou dat toch zijn?) is er eerst een lange corridor die de atleet moet afleggen alvorens het echte park te betreden. Het Vondelpark, rustplek in de stad, maar toch ook eigenlijk weer niet. Want ook daar kan het takkendruk zijn, met hardlopers, fietsers, wandelaars, groene papegaaien, rollerskaters en skateboarders.
Herinneringen spoelden als vanzelf bij mij binnen. Het oude Filmmuseum waar ontzettend lekkere erwtensoep werd geserveerd op de geboortedag van prinses Amalia. Voor de nieuwsgierigen: 7 december 2003, de dag dat mijn opa zaliger 95 jaar zou zijn geworden. Er was de Vondelkerk waar ik ooit samen met collega Simon in coproductie met een ingehuurd internetconsultancybureau (3x woordwaarde) de moodboards voor de allereerste versie van de Rijnlandse website maakte en liet beproeven. Goh wat was dat leuk om te doen: we plukten lukraak mensen uit het Vondelpark, lieten ze naar het prototype van de website kijken en vroegen ze hoe zij idealiter de navigatie door al die pagina’s zouden zien. Het leverde heel veel inzichten op gedurende die dagen in het park, en een paar maanden verder konden we de site vol trots live brengen zoals dat zo mooi heet.
Ook was er het onvergetelijke openluchtconcert van een gypsy gitaartrio dat met gemak met het Rosenberg Trio kon wedijveren. Geweldig speelden ze. Garant voor een zonnige zondagmiddag vol muzikaal plezier. Er was het ‘cokebogglen’, dat wil zeggen: een voor een kwart met water gevuld colaflesje van 0,5 liter overgooien en steeds behendig en met veel gracieuze bewegingen opvangen. Wie de fles liet vallen was af. Maar dat laatste had verder geen consequenties. En bij de hotdogkarretjes of de ijskraampjes kon de bij het cokebogglen verloren gegane energie weer aangevuld worden. Er was het standbeeld van Joost van den Vondel himself, de zeventiende-eeuwse dichter die vernoemd is naar het park waarin wij nu liepen.

Mooie herinneringen allemaal. Maar nu liep ik geheel gesloopt door dit fraaie Amsterdamse stukje groen te sjokken. Aan de kant van de weg die ons door het park leidde, de weg die wij moesten gaan, stonden talloze studenten opgesteld die allen in verregaande staat van openbare dronkenschap verkeerden. Terwijl we zelf inmiddels straalbezopen waren geworden van de adem die deze jongelui uitstootten, bereikten wij de laatste drankpost op bijna 20 kilometer, aan het eind van het Vondelpark. Hier werd godzijdank geen bier verstrekt, maar wel zoveel water als je maar op kon. Ik maakte snel een assessment van mijn troosteloze situatie en concludeerde dat het inderdaad troosteloos met mij gesteld was. Hoe kon ik Jantine, mijn mental coach die inmiddels al ruim twee uur sinds mijn start daar in dat stadion zat te wachten, toch ooit onder ogen komen? En – nog belangrijker – hoe moest ik in godsnaam die laatste kilometer doorkomen? Ik rook de stal, dat was waar, maar de stal was tegelijkertijd nog zo ver weg. Ik besloot mijzelf te vermannen en stug in slakkentempo door te lopen in de hoop dat de fatale ineenstorting zou uitblijven.
Welnu: die bleef uit. Naarmate het stadion naderde kwam toch in ieder geval het gevoel dat ik deze ellendetocht zou kunnen voltooien, ook al zou het in een desastreuze tijd zijn. Met die wetenschap deed ik vlijtig voort over de Amstelveense weg. Bij café De Blauwe Reiger, ter linkerzijde, stonden Goudse Runners Ed en Wim hun loopgroepgenoten op te wachten. Ik was dat bijna vergeten, maar toch zag ik ze daar ineens: flink in de olie maar vastberaden mij richting dat stadion te schreeuwen. Het gaf mij hernieuwde moed, en met iets dat op een glimlach leek begroette ik mijn makkers en stampte ik voort naar mijn lijdenseinde.
Het betreden van het stadion is een onvergetelijke ervaring. Je gaat onder de oude poort door, waarop de gevleugelde spreuk ‘Citius Altius Fortius’. Dit betekent in onze taal ‘Sneller Hoger Sterker’, maar Steve Austin, a man barely alive, zou eerder zeggen ‘Better Stronger Faster’. Je ziet de volgepakte tribunes met al die mensen die speciaal voor jou en jou alleen gekomen zijn, en echt: het geeft je vleugels, gelijk een blikje Red Bull. Met een voor mijn doen nog indrukwekkend sprintje drukte ik mijn voorwiel over de streep in een tijd van 02:08:38. Een vreselijke deceptie als je dit afzet tegen de richttijd, maar tegelijkertijd was ik zo blij dat ik dit toch maar geflikt had. Minutenlang hing ik over een hek, volledig kapot en uitgeteerd, en het duurde even voordat ik mij weer kon voortbewegen. Zwakjes zwaaide ik naar de hoofdtribune, daar waar ik Jantine vermoedde. Ze zal vast hebben teruggezwaaid, de lieverd.


Ik kreeg van organisatiewege een groot stuk plastic aangereikt om over mijn vermoeide lijf te draperen. Daarin gehuld werd ik richting de uitgang van het stadion gefuikt. Als haringen in een ton liepen we daar door de smalle doorgang naar buiten, erg slecht voor het gemoed kan ik U mededelen. Want weer moest er uiteraard flink geknokt worden om niet in de verdrukking te raken. Maar alsof ze het begrepen trakteerde de organisatie ons vervolgens op allelei lekkers zoals sportdrank, fruit, koekjes en uiteraard een medaille, ofschoon deze niet eetbaar bleek. Bij de kledinguitgifte gekomen kon ik mijn GR-makkers weer begroeten: ze hadden allemaal een (veel) betere tijd gelopen dan ik. Behalve Paul dan, maar die was ook enigszins geblesseerd aan zijn beproeving begonnen. En kijk: even later voegde ook Jantine zich bij ons en kon ik haar in mijn uitgeputte en zweterige armen sluiten. En niet veel later aanvaardden wij tevreden doch voldaan de terugreis: wij Goudse Runners naar Gouda (hoe kan het ook anders) en Jantine helemaal naar Groningen.



Voorlopig ben ik even helemaal genezen van het hardlopen, en zeker van het wedstrijdlopen. Er zullen wijze lessen geleerd moeten worden uit dit debacle. Een debacle dat weliswaar vele oorzaken kent, zoals overtraining en alle sores die momenteel mijn leven beheerst, maar waarvan ik hoop dat het zich nooit meer voordoet. En dus: wedstrijdloopjes staan voorlopig niet op de planning. Langzaam, en van scratch, zal ik mij moeten hervinden op weg naar betere (eind)tijden. Wel heb ik al een uitnodiging van softwarebedrijf Ormel op zak voor de CPC van 2014, maar daarover zal ik mij de komende tijd stevig gaan beraden. Watch this space!


Weer een interessant en puik stuk proza op deze, met een witte deken bedekte, zondagochtend.
Tijd: 2 kopjes koffie.
Nou dat valt dan reuze mee, toch?